‘Verzeihung Herr’

Op safari in het Afrikaanse Kenia kan je behalve ontmoetingen met olifanten ook nog eens mensen tegenkomen die qua gedrag niet voor wilde dieren onderdoen.

Op safari in Kenia ben ik helemaal weg van de eigenwijze klipdassen die brutaalweg uit je hand eten. Gerarda lacht zich tranen om de biggetjes van het wrattenzwijn. Met hun rechtopstaande kwaststaartjes schieten ze razendsnel heen en weer.

We hebben het prima naar onze zin in de truck en ’s nachts in ons tentje. We bivakkeren aan de rand van natuurreservaten, belaagd door bavianen, die zomaar je tent openritsen. De nacht is vol geluiden. We horen zebra’s keffen en hyena’s huilen. Tegen zonsopgang klinkt een vreemd schurend geluid. We zien de kolossale omtrekken van olifanten. Ze zijn wel erg dichtbij. We moeten plassen. Ik doe het door de spleet van de tent. „Mannen hebben het toch maar makkelijk”, verzucht Gerarda. Ze beseft niet wat ik riskeer.

We hebben het getroffen met de groep. Iedereen is zichzelf. Onze Keniase chauffeur Julius en Ajuma, de kok, leven in hun eigen wereld. Hun afstandelijke houding ligt op dezelfde lijn als het gedrag van de leeuwen die wegkijken wanneer ze worden geobserveerd. De boodschap is niet mis te verstaan: wij horen hier niet thuis. Van de hele groep is John de enige die contact met hen heeft. John heeft een garagebedrijf in Engeland en gaat naast de chauffeur onder de truck liggen sleutelen, als die ons weer eens in de steek laat. Julius en Ajuma spreken hem vol respect aan met ‘bwana’.

Er zijn geen Duitsers in ons gezelschap, wat niet wil zeggen dat er geen Duitsers op safari zijn. Op weg naar Lake Nakuru worden we ingehaald door een luxe camper van enorme afmetingen met op de achterkant in koeien van letters Wuppertal. Dezelfde camper zien we een tijdje later ergens op de savanne. Er wordt door het open dak gefilmd en gefotografeerd. Daar is wild! We stuiven erop af. De Duitsers gebaren dat we moeten stoppen. Julius trekt er zich niets van aan. We rijden over een bobbel. „Dass ist unsere Schlange!” brullen ze.

’s Avonds zien we de camper terug op een grote centrale kampeerplaats. De Duitsers hebben een flinke slok op. Zwaaiend met kampeerstoeltjes proberen ze een troep bavianen weg te jagen. Dat geeft andere bavianen de kans om de provisiekast van de camper te plunderen. Ze gaan aan de haal met alles wat ze te pakken kunnen krijgen. We lachen en klappen. Het is zo aanstekelijk dat het Ajuma over de streep trekt. Hij legt uit dat bavianen niet bang zijn voor blanken omdat hun jongen dankzij hun roze snoetjes op ons lijken. „Voor mij zijn ze wél bang”, zegt hij. Hij stapt op een vrouwtje met een jong af en dreigt: „Ik steel je baby hoor!” De troep stuift uiteen.

We gaan vroeg slapen, want we moeten om vijf uur op voor de ochtendsafari. De Wuppertalers gaan nog niet naar bed. Hun feestje is nog niet afgelopen. Ons vriendelijke verzoek om wat minder lawaai te maken, slaan ze in de wind. We doen geen oog dicht en worden steeds bozer. Ik zet mijn beide handen aan mijn mond en haal diep adem. „Niet doen”, waarschuwt Gerarda, maar mijn stem schalt al over de camping: „Achtung Achtung. Hier spricht Ihr Führer. Alle Deutsche und andere Affen sofort schlafen gehen!”

Het is op slag doodstil. Dan komen twee uit de kluiten gewassen oosterburen met grote stappen op onze tent af. John heeft het gezien en komt in zijn boxershort aanzetten. Ik knip de zaklantaarn aan, pak mijn paspoort, hou het onder hun neus en wijs naar mijn naam: Otto Siegfried Leonard Holzhaus. Ze maken een hoffelijke buiging. „Verzeihung Herr Holzhaus, und Sie auch, gnädige Frau. Schlafen Sie wohl.”

Mijn leven lang heb ik verantwoording voor mijn namen moeten afleggen. Hier in hartje Afrika zijn ze mijn redding.

    • Otto Holzhaus