Verbod op de film? Ja, dat kán wel...

De ‘film van Wilders’ valt onder de vrijheid van meningsuiting, daar zijn rechtsgeleerden het over eens.

Maar geen enkel grondrecht is absoluut.

Leden van de medische vereniging van Pakistan protesteren tegen Denemarken en Nederland. Foto AP Members of the Pakistan Medical Association hold a rally to protest against the republish of cartoons depicting the Prophet Mohammed in Danish newspapers, in Multan, Pakistan on Friday, Feb. 29, 2008. (AP Photo/Khalid Tanveer) Associated Press

Het verbieden of in beslag nemen van een film of een artikel voor publicatie is in strijd met de Grondwet. Censuur is in een democratische rechtsstaat met zoveel woorden verboden.

Tot zover zijn de geleerden het eens. De ‘film van Wilders’ valt onder de vrijheid van meningsuiting. Net als dit stukje. Maar geen enkel grondrecht is absoluut. Het echte debat gaat dan ook over de vraag of en zo ja welke beperking van Wilders’ vrijheid juridisch toegestaan is. En hoe je dat kunt bereiken. Binnen de wetenschap lopen de meningen daarover uiteen.

In het kabinet zou het juridische debat overigens nauwelijks gevoerd zijn, juist omdat er voor censuur overduidelijk geen rechtsgrondslag is. „Niemand heeft voorafgaand verlof nodig” om zijn gedachten of gevoelens te publiceren, aldus artikel 10 van de Grondwet, „behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Maar hoe wordt die verantwoordelijkheid van ‘ieder’ dan toch afgedwongen?

Emeritus hoogleraar informatierecht Gerard Schuijt is strikt. Hij zegt dat de enige manier voor de staat om onder het censuurverbod uit te komen, het uitroepen van de noodtoestand is. Daarbij moet gedacht worden aan een oorlogstoestand, een milieuramp of zeer zware ordeverstoringen. Die moeten dan nu al plaatsvinden. De staat mag bij Koninklijk Besluit maatregelen nemen ter ‘handhaving van de uit- of inwendige veiligheid’. „Het censuurverbod is tamelijk hard – daar kom je niet zomaar onderuit”, aldus Schuijt. Hij vindt bijvoorbeeld al dat Defensie, die journalisten ‘embedded’ in Afghanistan op sleeptouw heeft, zich aan onwettige censuur schuldig maakt. Op hun artikelen en uitzendingen heeft Defensie namelijk wél van tevoren greep. Schuijt acht die afspraak ongrondwettig en dus juridisch niet bindend.

Het is volgens hem wel mogelijk om een dreigende onrechtmatige publicatie via de civiele rechter te voorkomen. Dat komt met artikelen, manuscripten of uitzendingen regelmatig voor. Maar dat is met een film van onbekende inhoud volgens hem heel problematisch.

Advocaat en informatiewetenschapper Egbert Dommering acht het juist wel goed mogelijk om de onbekende film van Wilders vooraf aan te vechten. Een gewoon civiel kort geding tegen Wilders op basis van onmiddellijk dreigend ernstig onrecht acht hij goed haalbaar. „Net zoals je een komende demonstratie of een dreigende staking kan verbieden.”

Dat het kabinet er niet toe overgaat is volgens hem eerder een kwestie van gebrek aan durf en ruggengraat. Dommering haakt juridisch aan bij het Angelsaksische ‘clear and present danger’-criterium: een onmiddellijk dreigend ernstig gevaar. „Er is voldoende materiaal voor handen, als ik de premier hoor en het bedrijfsleven. Natúúrlijk kan het.” Hij merkt op dat een gewoon rechterlijk verbod in het Europese recht een aanvaarde beperking is op grondrechten.

De rechter zou dan kunnen meewegen dat een verbod om een film ‘wereldwijd via elektronische kanalen’ uit te zenden, Wilders de mond helemaal niet hoeft te snoeren. Hij heeft als onschendbare parlementariër immers ook spreekrecht in de Kamer. Wilders kan ook artikelen publiceren in kranten en interviews geven. Ook als hem uitzending op een open kanaal wordt verboden, zou hij zo’n film in een zaal voor de pers nog mogen vertonen. Van het loodzware begrip ‘censuur’ wil Dommering niet weten. Een rechterlijk verbod zou niet buiten proportie hoeven zijn.

Schuijt merkt op dat Wilders dan wel bereid moet zijn de rechter de film alvast te laten zien. De burgerlijke rechter heeft echter geen mogelijkheden om Wilders te dwingen de film eerst in de rechtszaal te laten zien. Bij procedures tegen omroeporganisaties komt die vraag meestal niet aan de orde. Ook zij worden af en toe gedagvaard om van een nog komende uitzending af te zien. Doorgaans komt het dan tot een voorvertoning in de rechtszaal, omdat de omroepen overtuigd zijn van hun eigen, meestal journalistieke gelijk en dat graag willen demonstreren.

Of Wilders aan een voorvertoning zou meewerken en zich bij een eventueel verbod zou neerleggen, is een open vraag. Dommering noemt een eventuele weigering van Wilders de film aan de rechter te laten zien „een zwaktebod” dat zal meewegen in het eindoordeel. Hij zou zich verder isoleren omdat hij dan laat zien het oordeel van de rechter net zo min als dat van de regering te willen laten meewegen. Dat is juridisch en maatschappelijk riskant.

Het achteraf optreden tegen strafbare of onrechtmatige publicaties is juridisch veel bekender terrein. In het geval van de film, die dan inhoudelijk wél bekend is, zou het openbaar ministerie kunnen overwegen om Wilders te vervolgen wegens strafbare belediging van een religie. Dan kan ook het herhalen van een uitzending worden belet. Eventueel kan een kopie van de film in beslag worden genomen. Maar dan is het mogelijke kwaad al geschied.

    • Folkert Jensma