Stadse planten ontwikkelen stadse gewoontes

Het leven in de stad vergt ook van planten een flinke aanpassing. Franse onderzoekers ontdekten dat vleugelstreepzaad (Crepis sancta, een onkruid met gele bloemen dat erg op paardebloem lijkt) in de stad veel minder pluiszaden maakt dan daarbuiten. Dat is een snelle evolutionaire aanpassing aan de wereld van beton en asfalt, zo schrijven zij deze week in het wetenschappelijke blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Vleugelstreepzaad maakt van nature twee soorten vruchtjes: lichte vruchtjes met een ‘pluimpje’ dat als parachute fungeert en zware vruchtjes zonder aanhangsel. De ene variant laat zich over grote afstanden door de wind meevoeren, de ander valt domweg naar beneden, dichtbij de moederplant.

Het team onder leiding van Pierre-Olivier Cheptou van het Centre National de la Recherche Scientifique in Montpellier verzamelde plantjes vleugelstreepzaad in die Zuid-Franse stad en in een agrarisch gebied dertig kilometer verderop. Daar groeien de plantjes in ruigten, wijngaarden en wegbermen. Ze kweekten de plantjes op in een kas en vergeleken de verhouding van zaadjes met en zonder pluimpje.

Stadse plantjes hadden veel minder pluimpjeszaden. Volgens de onderzoekers komt dat doordat zij alleen kunnen groeien in de kleine stukjes kale grond rond straatbomen of in stoepspleetjes.

Bomen zijn er meer dan duizend in Montpellier, maar ze staan op onderlinge afstanden van minstens vijf tot tien meter. De kans dat pluisjes een vrij stukje aarde treffen is dus klein. De Fransen bepaalden dat pluimpjeszaden in de stad 55 procent minder kans hebben om in vruchtbare aarde te landen dan de zwaardere vallende zaadjes.

Uit genetisch onderzoek van de Fransen blijkt dat deze evolutionaire aanpassing snel is verlopen; in slechts vijf tot twaalf plantengeneraties.