Per vel

Bij het snelloket van het postkantoor trof ik een ouder heertje aan, dat minder op snelheid was ingericht dan de wachtenden achter hem.

Alsof de maartse wervelwinden hem ook binnen nog konden treffen, hield hij zijn grijze, wollen muts diep over zijn oren gedrukt, terwijl hij in gesprek was met de lokettiste, een rustige, stevig gebouwde vrouw. Alleen al aan de stand van zijn rug – gebogen in enige stijfheid – kon ik zien dat het wel even ging duren. Moest ik toch maar een nummertje trekken voor een ander loket? Ik aarzelde, maar besloot te blijven toen ik de licht geagiteerde stem van het heertje hoorde.

„Ik had nog van vorig jaar vier postzegels van 72 eurocent over”, vertelde hij. „Voor Europa. Die kan ik niet meer gebruiken omdat ze opeens 75 eurocent zijn geworden.”

„Niets aan de hand, meneer, dan koopt u gewoon bij mij postzegels om bij te plakken.”

„Precies! Daarvoor ben ik ook hier!” Hij zei het met triomf. Toen liet hij zijn stem dalen: „Maar nu zegt mijn buurman dat dat niet zomaar gaat.”

„Hoezo?”

„Nou, ik heb dus vier postzegels van drie eurocent nodig, maar mijn buurman zegt dat je die niet zomaar even per stuk kunt krijgen. Klopt dat?”

De lokettiste legde met haar kloeke handen een postzegelvel voor zich op de balie. Ze had het berustende aplomb van de dienstverlener die best bereid is iets voor de honderdduizendste keer uit te leggen. „Dat klopt in zoverre, meneer, dat ik u alleen maar een vel met tien stuks kan verkopen.”

„Zie je! Dat bedoel ik. Ik heb er maar vier van drie cent nodig, maar ik moet dus een vel van tien bij u kopen. Waarom zou ik dat doen als voor mij vier zegels genoeg is? Wat moet ik dan met die andere zes doen? Opeten? Ik vind het best als de TNT rijk wil worden, maar waarom moet dat over mijn rug?”

Hij draaide zich naar mij om. „Begrijp u het, meneer?”

„Ik doe mijn best”, zei ik, „maar ik hoor het voor het eerst.”

De lokettiste negeerde mijn afgedwongen bemoeienis, en terecht, want stel je voor dat straks ook die hele snel groeiende rij achter het heertje en mij zich op de TNT begon te storten.

„U maakt het u zelf te moeilijk”, zei ze. „Er is echt niet zoveel aan de hand. Als u geen zin heeft om een vel van tien te kopen, dan komt u gewoon elke keer met uw brief hier en dan plakken wij bij als u voor drie cent bijbetaalt.”

„Dat is toch moeilijker dan u denkt”, zei het heertje, en je kon merken dat hij op deze wending in het gesprek geoefend had. „Dan moet ik dus voor elke brief helemaal naar het postkantoor. Wat een gedoe! Alsof ik niets anders te doen heb.”

Dit leek mij niet ondenkbaar, maar het zou onverstandig van de lokettiste zijn daar op te wijzen – en dat deed ze dan ook niet.

Het heertje begon echt boos te worden. Dat is het verleidelijke van onrecht – het kan zo heerlijk meeslepend zijn. „Altijd die dwingelandij! Ook bij andere postzegels moet je altijd maar weer die vellen kopen. Ik wil losse postzegels kunnen kopen!”

Hij schoof het postzegelvel naar de lokettiste terug, draaide zich op zijn dunne beentjes om en ging er vandoor.

„Wie is?” vroeg de lokettiste.

„Tien van vierenveertig”, zei ik gehoorzaam.

    • Frits Abrahams