Multilateraal succesje

President Ahmadinejad heeft afgelopen weekeinde tijdens een bezoek aan Bagdad kunnen genieten van het feit dat hij via de shi’itische meerderheid in Irak invloed kan uitoefenen. Vandaag ziet Ahmadinejad zich weer geconfronteerd met een andere werkelijkheid: wat meer isolement. De VN-Veiligheidsraad heeft gisteren de sancties tegen Iran aangescherpt. De raad heeft zo de impasse doorbroken, die vorig jaar was ontstaan door het National Intelligence Estimate van de Amerikaanse inlichtingendiensten.

Volgens dit rapport had Iran in 2003 het werk aan een atoomwapen gestaakt. De belligerente politiek van de VS verloor door dit rapport terrein. Het net rond Iran was zich juist weer aan het openen. Zo besloot Rusland uranium voor de kernenergiecentrale in Bushehr te leveren. Gazprom en zijn Chinese equivalent besloten ieder voor zich te gaan investeren in twee grote aardgasvelden. China hield op politiek niveau intussen maatregelen tegen. Voor Peking gaat de handel immers te allen tijde voor, ongeacht de sancties.

Aan deze rust lijkt nu een einde te komen. Rusland, dat van oudsher een ambivalente houding aanneemt tegenover Iran, heeft hierin een rol gespeeld. Vooral de succesvolle lancering van een Iraanse raket begin februari heeft Moskou uiteindelijk gealarmeerd. Een hernieuwde samenwerking van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad was het resultaat. De middelen die tegen Iran worden ingezet zijn onder meer visum- en reisbeperkingen, verdere bevriezing van specifieke banktegoeden, inspecties van schepen op zee en een concrete deadline van 90 dagen voor het IAEA om nader te rapporteren. De uiteindelijke stemming liet nog even op zich wachten doordat de vijf unanimiteit nastreefden. Maar uiteindelijk onthield alleen Indonesië zich van stemming.

Deze bijna-consensus is positief. Volgens de National Intelligence Estimate was de internationale druk vijf jaar geleden hoogstwaarschijnlijk een reden voor het besluit van Iran om het nucleaire wapenprogramma toch maar te staken. Daarvan uitgaande zou het wegvallen van druk het omgekeerde effect kunnen hebben en Teheran weer wat opmonteren.

Zekerheid daarover is er uiteraard niet. Maar het ligt voor de hand te veronderstellen dat Iran zijn nucleaire ambities in 2003 niet definitief heeft opgegeven. Het streven naar kernwapens is er een vorm van patriottisme. Daarover is de Iraanse politieke elite het op hoofdlijnen eens. De meningsverschillen gaan vooral over de pragmatische vraag of en hoever de buitenwereld moet worden getart. De lijst van goedgekeurde kandidaten voor de parlementsverkiezingen van 14 maart wekt de indruk dat de wat onbuigzamere lijn vooralsnog de overhand heeft. Liberalere kandidaten zijn consequent afgevoerd.

Ook dat is een reden om niet te verslappen. Het beleid jegens Iran is gebaseerd op talloze variabelen en uitkomsten. Die onzekerheid is reden de druk op de ketel te houden, liefst in een zo breed mogelijke internationale coalitie.