Facelift Grondwet is geen oplossing

Op de Grondwet mag geen retoriek worden losgelaten, meent Jan Drentje.

Volgens minister Ter Horst moet de Grondwet weer gaan leven onder de burgerij (Opiniepagina, 27 februari). Zij stelt voor de hier en daar nog archaïsche – soms klassiek mooie – grondwetsteksten te hertalen en te voorzien van een aansprekende preambule die vertelt wie wij zijn en wat onze basiskenmerken en waarden zijn. Zo kan de ‘grondwetsbeleving’ in de wijken en in het onderwijs worden bevorderd. Ze voert hiermee de kleine paragraaf uit het regeerakkoord uit waarin het thema staatkundige vernieuwing overigens niet meer voorkomt. Het alleszins gematigde rapport van de Nationale Conventie dat een aantal verstandige aanbevelingen bevatte om de werking van zowel de uitvoerende als de controlerende macht te verbeteren is door dit kabinet op de adviesstapel gelegd. Ter Horst zelf verwees kort na haar aantreden het voorstel van de direct gekozen burgemeester naar de prullenbak. Dat zou niet in onze bestuurlijke traditie passen. Na het echec van het burgemeestersreferendum in Utrecht kondigde ze aan de subsidies ervoor in te trekken. Dat een ruime meerderheid van de Utrechtse bevolking een voorstander van een referendum was, maar dan wel met echte keuzemogelijkheden, deerde haar niet: een ouderwets PvdA-regenteske opstelling.

Op allerlei punten is ons grondwettelijke bestel echter aan onderhoud toe. Een paar voorbeelden: de regels voor het verklaren van oorlog danwel het deelnemen aan vredesacties zijn onduidelijk en leiden keer op keer tot competentiegeschillen bij de besluitvorming. De rechter mag zaken niet toetsen aan de grondrechten terwijl toetsing aan vergelijkbare Europese grondrechten wel mogelijk is. De Grondwet voorziet niet in duidelijke procedures bij het aangaan van Europese verdragen die de nationale politieke context direct raken. Het kwestieuze, hier en daar sofistische advies van de Raad van State over een nieuw referendum maakte nog eens duidelijk hoe noodzakelijk het is de Grondwet op dit punt aan te passen aan de eisen van de Europese tijd. De Raad van State kreeg hier de rol van een constitutioneel hof waarin onze Grondwet niet voorziet. De vertrouwensregel voor ministers is in het Nederlandse bestel een gewoonterecht, maar de staatsrechtelijke onduidelijkheid rond het aftreden van Verdonk in de Ayaancrisis toonde aan dat het geen luxe is hierover in de Grondwet duidelijke bepalingen op te nemen. De positie van de minister-president is in een huishoudelijk reglement versterkt, terwijl in de Grondwet nog wordt uitgegaan van collegiaal bestuur. In het gemeentelijke dualisme is de raad niet meer het hoofd van de gemeente, terwijl dit nog wel in de Grondwet staat. Op al deze punten geeft de Grondwet geen richting meer.

Nu hoeft de grondwetstekst zelf ook niet te leven onder de bevolking als de strekking ervan gemeengoed is in het publieke leven. Dat was lange tijd het geval. Zowel nationale als internationale ontwikkelingen doen in de publieke werkelijkheid nieuwe figuren ontstaan die op een aantal punten niet meer aansluiten bij de grondwettelijke bepalingen. Dan wordt het tijd voor herziening, maar daarvoor bestaat als het erop aankomt geen politiek draagvlak. Derhalve zijn de voorstellen van minister Ter Horst sterk retorisch. Hoe leuk vormgegeven ook of door de scholieren als rap te downloaden van het internet: de Grondwet zal er niet door aan betekenis winnen. Het is het zoveelste voorbeeld van een poging tot renationalisering zonder adequate inhoud. Op den duur is dat riskant, want een teveel aan retoriek in combinatie met een tekort aan inhoud wakkert populisme aan. Misschien moet Ter Horst het schrijven van de preambule maar openbaar aanbesteden. Dan houden historici er in ieder geval een aardig tijdsdocument aan over.

Jan Drentje is historicus.

    • Jan Drentje