Zestig jaar missiewerk, en nu dit. En toch komt het goed

Eénenzestig jaar is pater Gerard van de Laar nu missionaris in Kenia. Hij heeft in die 61 jaar alles gezien. ‘Het komt goed met Kenia’, voorspelt hij.

Gerard van de Laar accelereert als een volleerd coureur.

De pater, naar eigen zeggen nog lang geen 81, heeft lak aan de geasfalteerde gatenkaas die wegdek heet. Hij drukt zijn witte wagen, hup, langs een hardrijdende Matatu, het type opgevoerde, afgeleefde zoveelstehands Nissan-busje dat overal in Kenia dienst doet als collectieve taxi en bestuurd wordt door jongens die zich koning van de weg wanen. „He, deze ken ik”, constateert de pater met een lach, „die heeft een toeter als een harmonie!”

61 jaar lang is Gerard van de Laar nu pater in Kenia. In 1947 stapte hij van de stoomboot in Mombasa, kersvers gewijd en klaar om het woord van God te verspreiden in de donkerste uithoeken van Afrika.

Van de Laar is missionaris van Mill Hill, de Britse Congregatie van Sint Jozef die haar activiteit eind negentiende eeuw uitbreidde van Oeganda naar het westen van buurland Kenia. „Eigenlijk wilde ik liever naar Pakistan”, zegt hij achter het stuur, „maar de kardinaal besloot dat ik naar Kenia ging. Dus ging ik naar Kenia. Wat ik daarvan vond? Goede vraag, daar heb ik verder nooit bij stilgestaan.”

Gerard van de Laar heeft ze van nabij meegemaakt, de politieke en economische omwentelingen die nu worden genoemd als historische verklaringen voor alles wat er mis is in Kenia. De opstand van de Mau Mau – de rebellie van Kikuyu’s tegen de Britse kolonialen begin jaren ’50 –, de onafhankelijkheid in 1963, het presidentschap van ‘vrijheidsstrijder’ Jomo Kenyatta en de verdeling van grote stukken land onder Kikuyu’s, Kenyatta’s opvolging in 1978 door Daniel arap Moi en diens opvolging in 2002 door Mwai Kibaki. En de recente verkiezingen die uitmondden in geweld, natuurlijk.

Gerard van de Laar ís Kenia, vinden de oudere Kenianen die hem links en rechts herkennen langs de modderpaden waar hij de verslaggever uit het verre Nederland op meeneemt.

„Gerardo, je moet hier begraven worden!”, jubelt een haveloze bejaarde wanneer de pater stapvoets voorbijrijdt. Vooralsnog heeft Van de Laar andere plannen: hij is voornemens om deze zomer definitief terug te keren naar zijn geboorteland. Hij wil zijn laatste dagen slijten in Oosterbeek bij Arnhem, in missiehuis Vrijland voor Mill Hill-missionarissen die hun belofte aan de Heer hebben ingelost.

Van de Laar woont in Kakamega, een dorp in het uiterste westen van Kenia waar het ergste geweld zich vorige maand voltrok. Op een half uur rijden ligt Kisumu, thuisbasis van gefrustreerde oppositieaanhangers die het de afgelopen weken gemunt hadden op de Kikuyu’s van Kibaki. Hoewel het geweld er niet zo heftig was als in Kisumu, gingen ook in Kakamega winkels en woningen in vlammen op.

Maar om nou te zeggen dat hij bang was, dat gaat Van de Laar veel te ver. „Ik stuitte een keer op een wegversperring”, vertelt hij. „Jonge mannen met machetes eisten geld. Iemand in de menigte herkende me. ‘Gerardo’!, riep hij. Toen lieten ze me passeren.”

Vergeet ook niet dat de hoogbejaarde pater geen groentje is. „Drie jaar geleden ben ik op mijn boerderij overvallen door mannen met een kalasjnikov. Nadat ze ons geld hadden gestolen sloten ze ons op in de linnenkast. Maar ja, die zat niet op slot hè. Zodra ze weg waren kwamen we tevoorschijn.”

Van de Laar organiseert een rondrit langs de kerken, scholen en hospitalen die hij in de loop der decennia heeft helpen bouwen in en om Kakamega. „Hier heb ik de erfenis van mijn ouders voor gebruikt”, zegt hij als hij een bakstenen vrouwenklooster met garage en opslaggebouw aanwijst langs een afrit. „Wat had ik er anders met het geld moeten doen?”

De kerken in Kenia liggen onder vuur om hun rol in de chaos die uitbrak na de verkiezingen eind december. Ze hebben inmiddels toegegeven dat predikanten en priesters leden van hun gemeentes hebben opgezet tegen landgenoten. „Dat is geen christendom”, mompelt Van de Laar met een vertrokken gezicht.

Er is ook een andere kerk, benadrukt Van de Laar, eentje die juist nu nodig is, als cement in de voegen tussen de Keniaanse stammen. Bij de katholieke Diocees van Kakamega zit de zaal iedere zondag drie keer vol, bevestigen inwoners van Kakamega desgevraagd, er wordt gebeden voor verzoening en iedereen is welkom, Kikuyu, Luo of Luyha, zoals de dominante groep hier heet. Toegegeven, zegt Van de Laar, er wonen van oudsher weinig Kikuyu’s in Kakamega, wat de kans op conflicten verkleint. En er heeft zich in deze regio geen grootscheepse landherverdeling voltrokken zoals in de aanpalende provincie Rift Valley, een proces dat nu algemeen wordt gezien als historische hypotheek op Kenia als natie. „Dat kan verklaren waarom het er hier minder heftig aan toe is gegaan”, aldus Van de Laar.

Gerard van de Laar is bedroefd dat hij Kenia moet achterlaten in de huidige toestand. 61 jaar missiewerk, en dan dit. „Toch komt het goed met Kenia”, zegt de pater met een berustende lach. „Dat heb ik altijd geloofd.”

    • Mark Schenkel