Zeepmond

Heel vaag staat mij bij dat mijn moeder één keer mijn mond met zeep heeft uitgewassen omdat ik iets had gezegd dat absoluut niet door de beugel kon. Wát ik had gezegd, weet ik niet meer, maar als ik heel diep in mijn geheugen graaf proef ik nog de zeep in mijn mond.

Niet lekker. Zeep is op allerlei plaatsen van het lichaam welkom, soms zelfs dringend gewenst, maar niet in de mond, noch in de ogen.

Ik sluit overigens niet uit dat ik deze herinnering heb verzonnen, bij gebrek aan een ongelukkige jeugd. Er waren wel dingen die ik niet mocht zeggen van mijn moeder, maar dan moet je toch vooral denken aan woorden als kroten voor ‘bietjes’ en aan taartje voor ‘gebakje’. Of gebakje voor ‘taartje’ – ik heb deze taalkundige verfijning nooit goed kunnen onthouden, waarschijnlijk omdat ik het zo’n onzinnig onderscheid vind.

De basis voor mijn opvoeding is gelegd in de jaren zestig. Kennelijk was het toen niet meer algemeen gebruikelijk om vuilbekkende kinderen naar de gootsteen te slepen om ze de mond met groene zeep – toen nog in iedere keuken te vinden – uit te wassen. Of is dit grensoverschrijdende gebruik al veel eerder uitgestorven?

Ik vermoed dat dit van familie tot familie verschilt. Ik vrees zelfs dat het tegenwoordig in sommige gezinnen nog gebeurt, hoewel ik er nooit iets over hoor, maar ik stel me zo voor dat ouders niet te koop lopen met dit soort hardhandige pedagogische ingrepen.

Wat mij vooral interesseert is wát er precies gezegd was. Welke woorden of uitdrukkingen overschreden zo het ouderlijk fatsoen dat er naar de zeep werd gegrepen? En hoe ging dat precies in z’n werk?

Als mijn herinnering klopt, dan heeft mijn moeder mij die ene keer naar de badkamer gesleurd om mijn mond uit te wassen. Ik liet mij absoluut niet naar de badkamer of gootsteen sturen om dit zelf te gaan doen. Maar toch is de gangbare uitdrukking in dit verband: ga je mond spoelen, wassen, uitspoelen, uitwassen (met zeep)!

Ga het zélf doen, dus. Waren de kinderen ooit zo braaf om dit werkelijk uit te voeren? Op internet vond ik één herinnering waarbij dit het geval was.

Niet alleen grove of blasfemische taal kon overigens tot mondwassen leiden. In een vraaggesprek met de Surinaamse zangeres Denise Jannah (geboren in 1956) las ik: „Als je verder wilde studeren, moest je naar het moederland, naar Nederland. Nederlands was de taal die je moest leren spreken, het Surinaams werd toen nog minderwaardig bevonden. Mijn grootouders kregen nog op hun donder als ze Surinaams spraken, dat was onbeleefd, ga je mond wassen!”

Je mond moeten wassen omdat je je moedertaal of je dialect sprak, is dat lezers van deze rubriek weleens overkomen?

En gebeurde het ook op school? In 2004 berichtte een krant: „Een 48-jarige lerares van een basisschool in Rochester (New York) is geschorst omdat ze de mond van een tienjarige leerling met zeep had gewassen. De jongen had een obscene opmerking gemaakt tegen een klasgenote en de lerares wilde hem hiervoor straffen.”

Wie heeft er herinneringen aan deze taalhistorische ingreep? Waar en wanneer vond een en ander plaats, en weet u toevallig nog wat u had gezegd? Reacties via www.nrc.nl/woordhoek of naar sanders@nrc.nl

Ewoud Sanders