Waaiers

Weerman Erwin Kroll stond in een kleine toonzaal te kijken naar de wolken op een oud doek. Het was museumnacht in Boijmans van Beuningen. Het publiek wachtte in spanning af wat Kroll over ‘het weer in de kunst’ te zeggen had.

De handen van Erwin zweefden langs de meesterwerken, met precies dezelfde motoriek als op televisie. Alsof zijn vingers twee grote douchekranen opendraaiden. Met zijn hoofd kwam hij vlakbij de perkamenten wolken op het schilderij.

„Typisch Hollands dagje. Grijs, grijs”, zei Kroll.

In de namiddag had ik thuis zitten kijken naar de voorjaarsklassieker Omloop Het Volk. Je hebt altijd het idee dat de coureurs een tijdje op stal zijn geweest. Het fietsende vee moest nog wennen aan het parcours, wennen aan het frisse weer.

Er ging een stevige wind over het landschap. De renners zochten beschutting. Als ze schuin achter elkaar reden, zag je de ‘waaiers’ ontstaan, zeker als er vanuit de helikopter werd gefilmd; kleurige, steeds veranderende slierten van renners, die het gevecht met de tegenwind aangingen.

Al kilometers voor het einde was de wedstrijd beslist. De Waalse coureur Philippe Gilbert reed weg en bleef alleen op kop. Vol ongeloof keek ik naar de krachtsinspanning van Gilbert. Helemaal in zijn eentje. En ik maar denken dat je in een waaier moest blijven zitten, wilde je kans maken op de overwinning.

„De wind, je kan er geen pijl op trekken. Dan weer van voren, soms op de flank”, zei de verslaggever op de motor. Ik keek naar de toppen van de bomen maar kon de windrichting ook niet vaststellen.

Velzeke-Ruddershove. Scheldewindeke. Als het daar niet waaide, waar dan wél op aarde? ’s Nachts in het museum laafde Erwin Kroll zich aan de luchten op de schilderijen van oude meesters. Hij fixeerde zich op donkergrijze kwaststreken die zwanger waren van de regen. En steeds vond hij weer de windrichting.

Kroll betrapte de schilders op onvolkomenheden. Ze gingen slordig met het weer om. Hoe kon Jan van Goyen (1596-1656) op één doek een paar grazende koeien en dreigende lucht zo samenbrengen. „Wat doet een koe als hij zulke wolken ziet”, vroeg Kroll. Het publiek bleef stil. „Dan draait hij zijn kont naar het weer, natuurlijk.”

Zondag keek ik weer naar het wielrennen, Kuurne-Brussel-Kuurne. Ik kon alleen nog maar naar de lucht turen. Grijs, zoals op de schilderijen van zaterdagnacht. Ik zag onheil. Wind, veel wind. Een dag voor waaiers.

Net als de renners probeerde ik na iedere bocht in het parcours te taxeren waar de wind zat. Wapperende vlaggen, dan moesten ze de wind schuin tegen hebben. Maar waarom hing het lange haar van de vrouw op haar erf dan zo doodstil toen de koplopers langskwamen?

De latere winnaar Steven de Jongh bleef in de laatste kilometers achter de rug van zijn medevluchter zitten. De Jongh pufte als een lekke blaasbalg. Na de finish stonden de strepen van de inspanning op zijn gezicht. Ze wezen naar alle windstreken.

Ik zag Erwin Kroll weer voor het werk van de oude meesters staan. Eén blik naar het wolkenpak en hij wist alles over het weer. Mag de weerman een keer mee met de koers, in een volgwagen? Dan mag hij in de oordopjes van de coureurs praten. Over stapelwolken, drukgebieden en hoosbuien. En over wind. Allerlei soorten wind.

Ik zweer je, het zou een jas schelen.

    • Wilfried de Jong