Over de Noordzee

Aanmonsteren op een schoener als scheepsarts. Voor de auteur een jongensdroom. Tweede deel in een korte serie over zijn ervaringen als parttime zeeman.

Om lekker te zeilen moet de wind wel uit de goede hoek komen. Foto Daan den Hartog Hartog, Daan den

Dus met de Eendracht de zee op. Driemastschoener met hulpmotor. Er kan tot 1206 m2 zeil op. Mag ook wel. Met dat gewicht van 600 ton. Een gigantisch gewicht. Nou ja. Voor een zeilboot.

Met een vertrouwenwekkende rompvorm, die ieder stijgen en dalen van het water soepel volgt. Nu eens glijdt het moeiteloos van een golfrug, dan weer klimt het langzaam bij een naderende golftop. Maar hoe hard het ook waait en hoe hoog de golven ook zijn, bijna altijd droge dekken.

Met aan boord mensen die weten hoe het allemaal werkt. Sommigen doen het voor hun boterham, de meesten niet.

Ook betalende gasten. Die mogen meehelpen met zowat alles. Aan het roer staan. Zeilen bedienen. Het schip schoonhouden. Allemaal worden ze ingedeeld in een wachtsysteem. Steeds 4 uur op en 8 uur af. De rode, witte en blauwe wacht. Onder leiding van kwartiermeesters.

De schipper was of is van huis uit schipper. De stuurlieden idem dito. Allemaal ervaren zeelieden. De kok is kok of thuis brandweerman, maar heeft dan wel voor zeekoken doorgeleerd. De schipper, de dokter en de machinist hebben altijd wacht. En slapen wanneer het kan.

Een zeilboot houdt van wind. Zoals iedereen aan boord. Wat een magische kracht. Wat weegt nou lucht? Maar het kan wel het schip helemaal voor niks vooruit duwen met een vaartje van 14 knopen.

Maar om lekker te zeilen, moet de wind wel uit de goede hoek komen. Hoek?

Als de wind helemaal van achteren komt, spreekt het voor zich dat hij je als vanzelf naar voren duwt. En als die wind van opzij komt, ga je door allerlei fysische wetten, een beetje opzij, maar ook nog naar voren. Zelfs als die wind nog meer van voren komt, ga je nog vooruit. Totdat die wind zó ver van voren komt, dat je boot alleen nog maar naar achteren en naar opzij wordt geduwd. Dan gaan de zeilen klapperen als een gek. Houden we niet van.

Maar wil je dan toch die kant uit, dan moet de motor aan.

Toen wij uit Rotterdam vertrokken, ging de koers al snel richting de Straat van Dover. In zuidwestelijke richting. En laat de wind nou van diezelfde kant komen. Strak tegen. Leuke weersvoorspelling.

De eerste paar dagen op de motor, zegt de schipper. Langer? Korter? God zal het weten. Motor aan ja. Maar 548 pk is echt niet veel om 600 ton ijzer tegen de wind en de golven in te duwen. Maar zonder haperen of wat ook. We waren blij met die machinist.

Net als de schipper en stuurlieden heeft de dokter een hut op het achterschip. Lekker, als het schip onder zeil ligt. Maar ook bijna bovenop de schroefas en vlakbij de machinekamer. Nogal een klein beetje erg luidruchtig.

Met soms ook praktische nadelen bij het varen op de motor. „Wat zeg je, dokter? Klinken mijn longen als een stroomgenerator?”

Intussen varen we over de Noordzee. Windkracht 6. Erwin Kroll noemt dat een harde tot stormachtige wind.

„Dokter, heeft u misschien een pilletje voor me?” Hier en daar al wat bleke gezichten. Noordzeegolven. Nog niet echt hoog. Het wachtsysteem komt op gang. De kwartiermeesters beginnen met uitleggen. „Als je hier aan trekt, gaat daar…” De dag gaat over in de eerste nacht op zee. Donker. Ik zou behoefte hebben aan een paar straatlantaarns hier of daar. Heel in de verte zie je wel lichtjes, die wisselend aan- en uitgaan. Volgens vast patroon. Blijkt op de zeekaart boei Huppeldepup te zijn. Op 30 graden aan bakboord.

Op de brug is de radar aan. Die kan ook andere schepen herkennen. Dat schip daar kruist onze koers. Omdat we dat niet leuk vinden, bellen de stuurlieden even met elkaar.

We zijn op weg naar het Engelse Kanaal. De windverwachting blijft zuidwest. Maar wel met 9 of 10 Beaufort. Violent storm, zegt de Kustwacht. Als ik die nacht laat te kooi ga, blijkt de Engelse Suite van Bach op mijn iPod de motor van de Eendracht moeiteloos de baas te zijn. Al bij het eerste deel val ik in een diepe slaap.