Laat de begroting uit de slaapkamer

Minister Rouvoet (CU) wil dat mensen meer kinderen krijgen om de kosten van de vergrijzing tegen te gaan.

Maar een fluctuerend kindertal kost juist méér geld.

Illustratie Milo Milo

Minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) heeft gelijk als hij zegt dat een bevolking met een kindertal op het vervangingsniveau (gemiddeld 2,1 kind per vrouw) geen vergrijzing kent. Bij een lager kindertal krimpt en vergrijst de bevolking, bij een hoger gemiddelde groeit en vergroent de bevolking – mits de immigratie en emigratie precies gelijk zijn.

Demografen noemen een bevolking met een kindertal op vervangingsniveau, een constante gemiddelde levensverwachting en een immigratie/emigratiesaldo die evenwichtig over de leeftijdsgroepen is verdeeld, een stationaire bevolking. Zo’n bevolking is qua omvang en leeftijdsverdeling constant. Vanuit sociaal-economisch perspectief is dat een ideale situatie: de rijksbegroting is immers deels afhankelijk van de leeftijdsopbouw. Indien die constant is, zijn er jaarlijks minder wijzigingen in de begroting nodig. Dan geen jaarlijkse Prinsjesdag dus.

Dat is allemaal theorie. De werkelijkheid is anders. Een stationaire bevolking is een utopie – het zou betekenen dat geboorte-, sterfte-, en migratiecijfers een mensenleven lang zouden worden bevroren. Dat is praktisch onmogelijk. Zodra bijvoorbeeld het kindertal verandert, duurt het weer een jaar of tachtig voordat het effect daarvan geheel is uitgestorven.

Een stationaire bevolking bestaat dus niet; ieder mens leidt zijn eigen leven en maakt zijn eigen keuzes. Gelukkig maar. Wat de samenleving nodig heeft, zou in de slaapkamer volstrekt onbelangrijk moeten zijn. Kinderen worden hopelijk uit liefde geboren, niet om later vermeende vergrijzingsperikelen te helpen overbruggen.

Maar hoe moet het vergrijzingsprobleem dan te lijf worden gegaan? Allereerst moet worden opgemerkt dat de vergrijzing versnelt door de relatief grote en langdurige naoorlogse geboortegolf tussen 1946 en 1969 – de babyboomers worden nu 65 jaar. Na 1969 daalde het kindertal bovendien ongekend snel. Maar Nederland zit daarmee in vergrijzingsopzicht nog altijd in de Europese middenmoot; andere landen vergrijzen sneller en heftiger.

Zodra onze naoorlogse geboortegolf is uitgestorven komen we in rustiger demografisch vaarwater. Er treedt dan zelfs enige vergroening op. Dat betekent dat de vergrijzing vanzelf eindigt. Op dit moment is 14 procent van de bevolking 65-plus, rond 2040 zal dat percentage rond de 26 liggen, en daarna zakken richting 22. In totaal dus een toename, maar dat moet wel in perspectief worden bezien: we hebben de meeste vergrijzing al achter de rug. Rond 1900 was 5 procent van de bevolking 65-plus, nu drie keer zoveel. Dat heeft ons evenmin voor schier onmogelijke problemen gesteld.

Rond 2040 zouden we dus dichtbij een stationaire bevolking komen, met alle sociaal-economische voordelen van dien. Een nieuwe geboortegolf, zoals door Rouvoet bepleit, zou ons daar alleen maar verder vanaf brengen.

Nu wordt vaak beweerd dat mensen méér kinderen willen dan ze krijgen. Dat klopt tot op zekere hoogte. Jonge, kinderloze mensen wensen tegenwoordig gemiddeld 2,2 kinderen, maar blijven gemiddeld op 1,8 steken. Maar dat betekent nog niet dat er ‘beleidsruimte’ is om dat verschil eventjes te regelen. Zelfs met een flinke subsidie is een extra kind niet ‘te koop’. Want, waarom krijgen mensen minder kinderen dan gewenst?

Ten eerste, omdat men de wens na de geboorte van het eerste kind naar beneden bijstelt. Dan wordt immers duidelijk wat een kind krijgen en opvoeden in de praktijk betekent. Ten tweede, omdat niet iedereen het gewenste aantal kinderen kán krijgen, door medische problemen, of omdat men geen partner (meer) heeft. Terwijl de biologische klok doortikt, kunnen zich dan ineens andere omstandigheden voordoen: men ontmoet een partner die al kinderen heeft en laat de eigen kinderwens vallen. Of, men krijgt een mooie baan en beslist ook zonder kinderen gelukkig te kunnen zijn.

Geboortepolitiek is dan ook niet realistisch. Mijn inschatting is dat een kindertal van meer dan 1,8 kinderen per vrouw in Nederland nauwelijks realiseerbaar zal zijn, ook al omdat we vrouwen stimuleren om goed op hun toekomst voorbereid te zijn. Een hoge opleiding is een uitstekend anticonceptivum. Vrijwillige kinderloosheid zal daarom eerder stijgen dan dalen.

Ook wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat beleidsmaatregelen om het kindertal te verhogen weinig effect hebben. Aanvankelijk lijken sommige maatregelen effectief, maar uiteindelijk blijkt vaak dat mensen niet méér maar slechts wat eerder kinderen hebben gekregen. Dat leidt tot een tijdelijke geboortegolf, gevolgd door een dip in de geboortecijfers.

Beleidsmakers voorzien die dip vaak niet. Tegen die tijd wordt een volgende minister dus geconfronteerd met extra problemen, zoals een overschot aan nieuw gebouwde scholen en opvangcentra. Daarom zijn demografische constanten ook zo mooi: dat voorkomt onvoorziene problemen. Ons kindertal is al circa 30 jaar redelijk stabiel, en dat moeten we dus vooral zo houden. Laat het kindertal met rust.

Gijs Beets is demografisch onderzoeker bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag.

Alle demografische trends zijn terug te vinden op nidi.knaw.nl

    • Gijs Beets