Hoe zijn spreekwoorden en gezegdes ontstaan?

Anne Azimi uit Amsterdam heeft drie vragen over spreekwoorden en gezegdes. Hoe zijn ze ontstaan? Hoe verspreiden ze zich? En komen er nog nieuwe bij?

„Het prille begin van een spreekwoord of gezegde hult zich meestal in nevelen”, zegt onderzoeker Theo Meder van het Meertens Instituut voor Nederlandse taal en cultuur. „Spreekwoorden gaan van mond tot mond. En de eerste verteller ligt meestal op het kerkhof.”

Soms is de herkomst kraakhelder, weet Meder. „Neem het eeuwenoude volksboek over het jongetje Tijl Uilenspiegel. Een ruiter te paard verschijnt voor zijn deur, en vraagt hem boven de onderdeur langs of er niemand thuis is. ‘Jawel’, zegt Tijl. ‘Anderhalve man en een paardenkop.’ Mensen vinden dat zo grappig dat ze het gaan herhalen. Dan wordt het vanzelf een gezegde.”

Een groot deel van onze spreekwoorden stamt uit het Latijn, tot in de negentiende eeuw dé taal van de wetenschap. „Het bereik van het Latijn besloeg vrijwel heel Europa”, aldus Marjan Arts, redacteur van Van Dale Lexicografie. „Veel spreekwoorden die wij kennen, hebben een anderstalige equivalent.” Zo vernederlandste het Latijnse ‘noli equi dentes inspicere donati’ tot het gegeven paard dat je niet in de bek moet kijken, zegt men aan de andere kant van het Kanaal ‘never look a gift horse in the mouth’, en in Zuid-Afrika ‘moenie ’n gegewe perd in die bek kyk nie.’

Ook ontstaan steeds nieuwe spreekwoorden. Ton den Boon, hoofdredacteur van Van Dale Woordenboeken, wijdde er een boek aan: Elk nadeel heeft zijn voordeel – en 2499 andere spreekwoorden (2006). „Als iemand een levenswijsheid op aantrekkelijke wijze verwoordt, nemen mensen dat over”, zegt Den Boon. „Zo ging het vroeger en zo gaat het nu.”

Massamedia versnellen de verspreiding. Dus als een spraakmakende persoonlijkheid als Johan Cruijff op tv verkondigt ‘elk nadeel hep se voordeel’, dan maken de kijkers thuis er vanzelf een spreekwoord van.

Ingmar Vriesema

    • Ingmar Vriesema