Vrouwen krijgen minder kinderen dan ze zouden willen

Volgens minister Rouvoet is het „een interessante discussie die we moeten gaan voeren”: heeft Nederland meer kinderen nodig? Debat hierover is volgens Rouvoet nodig omdat het Nederlandse geboortecijfer van 1,7 per kind, binnen Europa niet slecht, zou moeten stijgen naar 2,1 om de kosten van de vergrijzing op te vangen. Verschillende auteurs nemen de handschoen op. Over wat de overheid kan doen zonder in de slaapkamer te komen.

Slabbetje

Aart Liefbroer

Hoofd afdeling Sociale Demografie van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut en bijzonder hoogleraar Demografie van Jong-Volwassenen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

In Nederland krijgen vrouwen gemiddeld minder kinderen dan zij eigenlijk wensen. Uit recent onderzoek blijkt dat een groep vrouwen die rond hun 26ste gemiddeld 2,5 kind wensten, op hun 44ste op een gemiddeld kindertal van 1,9 zijn blijven ‘steken’. Met andere woorden, het gerealiseerd kindertal is gemiddeld 0,5 kind lager dan oorspronkelijk gewenst. Er is dus sprake van een discrepantie tussen gewenst en feitelijke kindertal.

Wellicht zou de overheid zich vooral moeten richten op het ondersteunen van paren om hun kinderwens te realiseren. Een dergelijk beleid stelt de wensen van deze paren centraal, in plaats van hun het gevoel te geven dat zij hun ‘plicht’ verzuimen als zij niet voor extra kinderen zorgen.

Starten bij de kinderwens van paren maakt het ook makkelijker om na te denken over beleidsmaatregelen. De centrale vraag wordt dan: welke factoren belemmeren individuen en paren om hun kinderwens te realiseren? Voor een deel ligt de oorzaak bij factoren waar de overheid geen greep op heeft: mensen vinden geen geschikte partner, willen soms te veel in het leven waardoor kinderen er bij inschieten, of zijn medisch niet in staat om kinderen te krijgen.

Maar uit onderzoek blijkt ook steeds dat de moeilijkheid om ouderschap en carrière te combineren – vooral door vrouwen – een grote belemmering vormt om het aantal kinderen te krijgen dat men graag zou willen. Zo zijn het vooral hoogopgeleide vrouwen die hun kinderwens in de loop van de tijd het sterkst naar beneden bijstellen. Blijkbaar komen zij vaak tot de conclusie dat hun oorspronkelijke wensen niet te combineren zijn met de eisen van een succesvolle beroepsloopbaan. Ook stellen vrouwen die denken dat het krijgen van een kind negatieve gevolgen zal hebben voor hun loopbaan, het krijgen van kinderen sterker uit dan vrouwen die weinig negatieve gevolgen voor hun werk verwachten.

Dergelijk onderzoek onderstreept dat kwalitatief goede, betaalbare, en voor iedereen beschikbare kinderopvang een bijdrage kan leveren aan het realiseren van de kinderwens van paren. Deze zienswijze wordt ook ondersteund door Noors onderzoek dat recentelijk in Demography werd gepubliceerd: in gemeenten met een fijnmazig net van kinderopvangvoorzieningen kregen vrouwen eerder een eerste kind dan in gemeenten waar het aanbod van dergelijke voorzieningen minder goed was.

Dus in plaats van een politiek gericht op het verhogen van het kindertal, zou de overheid zich beter kunnen richten op het helpen van paren om het door hen gewenste kindertal te realiseren. Vooral het aanbieden van goede, betaalbare en voor iedereen beschikbare kinderopvang kan daaraan een bijdrage leveren.

En het mooie van een dergelijk beleid is dat dit ook effectief lijkt om de consequenties van het vergrijzingsvraagstuk te verzachten. Als er genoeg kinderopvang is, zullen vrouwen vaker en langer op de arbeidsmarkt participeren, en mogelijk gemiddeld ook wat meer kinderen krijgen. Beide consequenties helpen om de kosten van de vergrijzing terug te dringen.

    • Aart Liefbroer