Verbeteraars

Wat mensen anders maakt dan dieren is dat ze willen verbeteren (en dat ze het leuk vinden om kleren aan te doen, maar daar gaat het nu niet om). Mensen zijn dol op verbeteren. Niet alleen zinloze sportrecords en ‘de wereld in het algemeen’ (iets met bomen of sojaplantages of religieuze spanningen in conflictgebieden), maar ook: elkaar.

Verbeteren, ik heb het dieren nog nooit zien doen. Dat je een kat hoort miauwen (‘mi-AUW’) en dat zijn collega-kat dan kritisch kijkt en zegt: ‘Het is toevallig MI-auw. Hoor.’

Mensen hebben daarentegen een heel spectrum aan verbeteringen. De meeste mensen vinden het niet kunnen om te zeggen: ‘Hee, overnieuw bestaat niet, het is óf “over" of “opnieuw".’ Verbeteren moet subtieler, bijna als iets stiekems dat je liever niet doet, maar toch niet kunt laten. Een soort verbaal neuspeuteren.

Voor het subtiel verbeteren bestaan verschillende strategieën.

Zo heb je de stille verbeteraars. Stel, je zegt: ‘Thais eten, daar kun je me ten alle tijde voor wakker maken!’ Dan zegt de stille verbeteraar, zonder je aan te kijken en heel zachtjes: ‘te alleN tijde.’ Alsof het een stem vanuit het niets betreft. Tegen een stem uit het niets kun je niets terugzeggen.

Je hebt ook verbeteraars die hun verbetering pseudo-natuurlijk in hun antwoord verwerken. ‘Ik had vroeger geen latijns op school.’ ‘Nee? Had je geen latijnnn? Nou ja, niets aan gemist.’ De verbetering is zo ingekapseld dat je er wederom niets op terug kunt zeggen. Want dat is het ergste: ontmaskerd worden als verbeteraar. Dat komt omdat verbeteren zo duidelijk nutteloos is, en dus alleen maar gaat om het tentoonspreiden van kennis van de verbeteraar zelf. Zelfs verbeteraars zélf denken niet dat de wereld beter wordt als iedereen hun verbeteringen ter harte zou nemen.

Nu is niet iedereen even allergisch voor verbeteraars. Ikzelf wil mensen graag bloedig vermoorden als ze verbetergedrag vertonen. Dat komt natuurlijk omdat ik zelf in het diepst van mijn wezen een verschrikkelijke verbeteraar ben, maar dat krampachtig onderdruk (bedankt, Freud). Ik heb wel eens tegen iemand gezegd: ‘Zeg je nou bewust cataLOgus?’ En diegene is daar nog steeds door getraumatiseerd. Ik kijk dus wel uit. En als ik dan iemand anders schaamteloos zie verbeteren, dan kan ik dat niet uitstaan! Ik zou ook zo graag verbeteren, maar ik mag het niet van mezelf.

Ik sprak eens een man die zo droevig was geweest, dat hij zes weken onder zijn bed had gelegen. Niet erin, wat mij nog wel lekker lijkt, maar eronder, tussen de huidschilfers - visualiseer het maar even. De enige reden dat hij niet was doodgegaan onder het bed, was dat hij besefte dat er konijnen bestonden in de wereld. ‘Konijnen’, vertelde hij, ‘die zijn zó lief en zacht. Ze zullen je nooit beoordelen en ze nemen je gewoon zoals je bent.’ Hoe je het aan een konijn zou kunnen zien als hij je níet neemt zoals je bent, weet ik niet. Maar ik vond het zielig, verbeterend haast, om dit sfeerverpestende vraagje te stellen.

    • Paulien Cornelisse