TWEEDE LEVEN VAN EEN AFGEDANKTE BROEK

Hulporganisaties halen jaarlijks 85 miljoen kilo kleding op. Veel van die kleding komt nooit bij arme mensen terecht. En gemeenten verdienen vaak nog het meest aan de vrijgevigheid. Dick Wittenberg volgt een afgedankte broek, van de kledingcontainer in Eindhoven naar de markt in Ghana.

Ze weet niet meer hoe lang ze de broek heeft gedragen. Vijf jaar? Zeven Jaar? De laatste jaren kwam hij niet meer uit de kast. Uiteindelijk besloot ze de broek toch maar weg te gooien. Einde van een roze damesbroek van het merk Esprit.

Maar sommige broeken krijgen een tweede leven. Ze maken verre reizen. Dit is het verhaal van de broek van Moniek.

Moniek Rouweler uit Eindhoven, freelance tekstschrijver, 31 jaar, wil het niet mooier maken dan het is. Waarom gooit ze een paar keer per jaar een plastic zak met afgedankte kleren in de kledingcontainer? ‘Om er vanaf te zijn. Om ruimte te maken in de klerenkast. Uit eigenbelang.’

Van welke organisatie de container is daar let ze niet op. Ze kiest voor de container het dichtst bij huis.

Ze zou de gedragen kleren ook in de vuilniszak kunnen doen. Maar dat ‘is zonde’. ‘Andere mensen kunnen er nog plezier van hebben.’

Ze zou de beste stukken via marktplaats.nl of een boetiek voor tweedehands kleding kunnen verkopen. Dat vindt ze te veel moeite. Daar denkt ze nooit aan. Zolang ze de kleren maar met goed fatsoen kan lozen. Wat er mee gebeurt, weet ze niet precies. ‘In elk geval iets goeds.’ Ze denkt dat haar kleren worden verdeeld onder arme mensen. Waar dan ook.

Met dat idee gooit ze haar afgedankte broek in de legergroene container aan de Eindhovense Tapirstraat.

Het idee van Moniek klopt niet. Maar ze is niet de enige die dat soort fantasieën heeft. De meeste mensen voelen zich schuldig als ze kleren weggooien die nog goed zijn en waaraan ze gehecht zijn. Dat blijkt uit onderzoek dat de charitatieve kledinginzamelaar KICI vorig jaar liet doen. Dat schuldgevoel verzachten ze door de kleren ‘een goede bestemming’ te geven. Ze denken dat kleren die ze in de kledingcontainer stoppen in weeshuizen en vluchtelingenkampen terechtkomen. Ze geloven dat hun kleren worden verdeeld onder arme mensen. Waar dan ook.

‘Weinig mensen hebben een reëel beeld van wat er met de kleren gebeurt’, zeggen ze bij ReShare, de werkmaatschappij van het Leger des Heils. Alle inzamelaars zien die onwetendheid als groot risico. Wat als de prozaïsche waarheid tot de massa doordringt? Gooit ze haar afgedragen kleren dan nog steeds even ruimhartig in de containers?

Iedereen kan weten wat de levensweg is van een afgedankte broek. Inzamelaars houden dat niet geheim. Het is te lezen op hun websites en in hun brochures. Al houden sommige de illusies over de bestemming van de kleren met verhullend taalgebruik intact.

De broek van Moniek wacht in het duister. Soms schuift de laadklep open en valt er een streep licht naar binnen. Een plastic zak ploft op de zak met de broek van Moniek.

Een van de zestig werknemers van ReShare/Leger des Heils redt de broek van Moniek. Hij leegt 40 tot 50 containers per dag. Met zijn wagen volgeladen rijdt hij naar de oude rubberfabriek in Roosendaal waar ReShare een van zijn twee inzamelcentra heeft. De textiel is verdeeld over acht ijzeren kooien om te voorkomen dat de inhoud van een vervuilde container de hele lading bederft.

De instructies op de container zijn duidelijk genoeg. Geen afval. Alleen draagbare kleding. Verder huishoudelijk textiel zoals lakens, handdoeken en gordijnen. In rood staat er nog eens ten overvloede: alles dient verpakt te zijn in een plastic zak ter bescherming tegen vocht en vuil.

Dat betekent niet dat iedereen zich daaraan houdt. Mensen gooien frietvet in de container, etensresten, glas dat niet in de glasbak past. De opening van de kledingcontainer is lekker groot. In gemeenten waar burgers per kilo voor het lozen van hun afval moeten betalen, wordt de kledingcontainer graag als dumpplaats gebruikt. In een kale fabriekshal scheiden twee vrouwen handmatig bruikbaar textiel van het afval. Het zijn Senija Jasanevic uit Bosnië en Lor Varum uit Cambodja, beiden 47. Dagelijks gaat er 40.000 kilo textiel door hun handen. Op topdagen is de aanvoer wel 100.000 tot 120.000 kilo. Dan zijn ze met meer.

De inhoud van een kooi wordt in een bak gestort. Van daar komt hij op een lopende band. Veel zakken zijn opengeschoten. Kleren zijn eruit gevallen. Sommige zijn nat geworden. Ze stinken. Andere worden vuil op de band. Senija en Lor vegen alle onbruikbare textiel in de afvalbak. Op de band rinkelt het van de plastic fiches. Drinkmunten van Café Larry’s. Senija vist een groene plastic auto van de band. Die gooit ze in een bak met speelgoed en knuffels. Achter haar staan ook afvalbakken voor glas, metaal en papier. Op een tafel liggen andere vondsten. Een spiegel met vergulde lijst. Een legging in de verpakking. Een radio die nog werkt.

Soms hebben Senija en Lor even niets te doen. Een karavaan van goed gesloten zakken trekt aan hen voorbij. Dan volgt al snel een stoet van losgeslagen kleren. Ook de broek van Moniek ligt daarbij. Onbedorven. Ze mag verder. Ze valt in de kooi aan het eind van de band. Als die vol is, verdwijnt hij naar een opslagloods.

Sinds de professionalisering van de inzamelbranche (zie kader volgende pagina) verschillen commerciële en charitieve inzamelaars alleen nog maar in wat er gebeurt met de winst. Bij de charitatieven gaat de opbrengst naar het goede doel. Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) erkent zestien kledinginzamelaars als goede doelen. Zes hebben het keurmerk van het CBF. Het CBF toetst alleen of ze aan een aantal criteria voldoen: van goed bestuur, goed beleid, goede verslaglegging en goed financieel beheer. De meeste houden zich bezig met ontwikkelingshulp. KICI steunt Amnesty International en een aantal kleine maatschappelijke projecten. Andere goede doelen richten zich op sociaal werk of gehandicaptenzorg.

Het CBF gaat ook na hoeveel geld er uiteindelijk stroomt naar het goede doel. De netto-opbrengsten liepen in 2006 uiteen van minder dan een cent tot 23 cent per kilo. De gemiddelde opbrengst volgens het CBF was 9 cent per kilo. Eigen berekening op basis van de CBF-gegevens komt uit op minder dan 6 eurocent. Anderhalf cent per ingezameld kledingstuk. In totaal stroomde in 2006 bijna drie miljoen euro naar goede doelen. Fondsen werven via kleren is van oudsher centenwerk.

In 2006 werd in Nederland volgens officiële cijfers 85 miljoen kilo textiel ingezameld. Naar schatting 340 miljoen kledingstukken. Daarvan kwam 30 procent terecht bij kringloopfirma’s en commerciële bedrijven. Bijna 70 procent ging naar liefdadigheidsorganisaties. Zoals tweederde van de Nederlandse bevolking dat graag ziet.

De bulk van de kleren komt binnen via de containers. Die kwaliteit staat in de branche bekend als ‘Nederlands origineel’. Dat is de grote gemene deler van de afgedankte kleren. Daar zit merkkleding tussen, een paar keer gedragen. Daar zijn verwassen T-shirts bij. Ook de broek van Moniek. ‘Nederlands origineel’ doet het op de internationale markt veel beter dan het modale afgedankte textiel van de Duitsers en Belgen. Alleen de tweedehands kleding van de Britten en Zwitsers levert meer op. Een kwestie van mode en kwaliteit. Tweedehands kleding is handelswaar. Van de oogst aan kleren verkopen de inzamelaars 98 procent aan sorteerbedrijven in binnen- en buitenland.

De broek van Moniek hoeft niet lang te wachten in de opslagloods van ReShare. Het bedrijf heeft 64 vaste klanten die allemaal zitten te schreeuwen om tweedehands kleding. Hoofd verkoop Elmer Koks hoeft nooit te leuren met zijn handel. Alweer een klant die belt.

Een truck van ReShare brengt een lading ‘Nederlands origineel’ naar TRD, TextielRecycling Dordrecht. Maar een kwart van de kleding van ReShare gaat naar Nederlandse sorteerbedrijven. De gemiddelde verkoopprijs per kilo? Vier dubbeltjes. Zo belandt de broek van Moniek op industrieterrein West in Dordrecht. Een vorkheftruck rijdt haar binnen in een ijzeren kooi met 1.200 kilo kleding. Zes hoog staan de kooien in de opslagloods.

In het kantoor van TRD zal de broek van Moniek nooit komen. Het kantoor is op de eerste verdieping. Een glazen wand op de eerste verdieping kijkt uit op de enorme fabriekshal waar de kleding wordt gesorteerd.

In het kantoor zit directeur-eigenaar Hamza Özturk, gekleed in spijkerbroek en vest. ‘Mensen weten niet dat wij de ingezamelde kleding voor een kiloprijs kopen. Textiel is business voor ons.’

Minder dan een uur per dag brengt Öztürk door op kantoor. De meeste uren helpt hij in de hal met sorteren. ‘Daar wordt het geld verdiend.’

Als jongen van 18 kwam hij uit Turkije. Zijn eerste baan was in een Rotterdams sorteerbedrijf als veger. Twintig jaar lang heeft hij in de branche gewerkt in alle mogelijke functies, de laatste acht jaar als voorman. Op 13 januari 2000 begon hij voor zichzelf. Bij wijze van opening scheurde hij samen met zijn vrouw de eerste plastic zak met kleren open. ‘Het is altijd een verrassing wat je vindt.’

De kooi met de broek van Moniek wordt geleegd bij een van de twaalf sorteertafels. Geroutineerd trekt Ferdi Akham (40) één voor één de plastic zakken open. Ze is van Turkse afkomst, net zoals de meeste sorteersters. Nederlanders vinden het werk volgens Öztürk te zwaar.

Akham weet zich omringd door meer dan vijftig tonnen en bakken. Voor alle textiel- en kledingsoorten één. Grote tonnen voor kinderbroeken en damesblouses. Grote voor lakens en gordijnen. Kleinere voor tassen, riemen, sjaals en speelgoed. Akham vindt ze blindelings. De broek van Moniek zeilt in de broekenbak.

Twee kooien kleding, 2.400 kilo, verdeelt Akham op een dag. TRD sorteert dagelijks gemiddeld 35.000 kilo: 9,1 miljoen kilo per jaar. Tien procent is afval: vies, nat of kapot. Voor afval heeft Akham een extra grote bak. Die lading – gemiddeld 3.000 kilo – kost alleen maar geld. Aan afvoer en verbranden is het bedrijf 15 cent per kilo kwijt.

Zo’n strop kan alleen maar worden goedgemaakt door de inhoud van de blauwe bak die achter Akham staat. Dat is de bak voor wat in de branche als ‘crème’ bekendstaat. Zo goed als nieuwe kleding van bekende merken. Extra kwaliteit. In die bak belandt gemiddeld 3 procent van de kleren. Crème brengt per kilo tot vijf euro op.

Een vorkheftruck rijdt een volle bak met vrouwenbroeken naar een van de twintig tafels waar de kleding in ‘ondersoorten’ wordt verdeeld. Daar worden de broeken gescheiden naar kwaliteit, naar materiaalsoort, naar mode, naar afzetgebied. ‘Sorteren is een kunst’, zegt Öztürk. ‘Eruit halen wat erin zit. Voor elk stuk de juiste bestemming vinden.’

Sorteren is ook schatgraven. Onderkennen dat een bepaald stuk textiel voor een specifieke klant een bijzondere waarde vertegenwoordigt. Hippiekleding uit de jaren zeventig voor Japanners. Geborduurde kleedjes voor vrouwen in Spanje. Sorteren maakt en breekt je winst.

Tweedehands kleding is geen eenheidsartikel. Er zijn honderden soorten. Elke soort heeft zijn prijs. Grofweg de helft zal nooit door iemand meer worden gedragen. Tien jaar geleden maakte de niet meer draagbare kleding 30 procent uit van het ingezamelde totaal. Maar begin deze eeuw kelderde de kwaliteit van kleding. Öztürk spreekt smalend over de Aziatische vodjes van C&A en H&M.

Daarbij komt dat buitenlandse klanten onder invloed van stijgende welvaart hogere eisen zijn gaan stellen. Ook een Afrikaan wil geen uitgelubberd T-shirt. Ook een Afrikaan kijkt televisie. Ook een Afrikaan weet wat mode is. De helft van de kleding is niet meer als kleding te verkopen. Dat betekent niet dat ze waardeloos is. Samengeperst in balen van minimaal 400 kilo levert ze nog altijd tussen de 10 en 30 cent per kilo op. Het grootste deel eindigt als poetsdoek in garages en de olie-industrie. Het andere deel verdwijnt naar India of Pakistan waar het uit elkaar getrokken wordt om er weer garens van te maken. Of het wordt gerecycled tot isolatiemateriaal voor auto’s. Een personenwagen bevat algauw 30 tot 40 kilo afgedankt textiel.

De broek van Moniek wordt niet hergebruikt als poetslap. Ze komt niet vermalen onder een dashboard terecht. Sorteerster Dönus Köse (39) behandelt haar zoals alle andere broeken. Ze gooit haar uitgestrekt op tafel, ze pakt haar onder bij de pijpen, ze keert haar en smijt haar nog een keer op tafel. Even rust haar blik op het kruis.

Met een zwaai belandt de broek in de bak voor ladies modern pants. Samen met 199 andere broeken vormt ze straks een baal, die door doorzichtig plastic wordt omhuld en door staalband bij elkaar gehouden wordt. Ze mag naar Afrika. De meeste tweedehands kleding gaat naar Afrika. Voor een gemiddelde kiloprijs van 85 tot 90 cent. Export naar Afrika is de kurk waar het bedrijf op drijft. Kleding die TRD aan Oost-Europa verkoopt, levert hogere prijzen op maar maakt in kilo’s maar enkele procenten van de afzet uit. Het is aan klanten in Afrika te danken dat TRD per gesorteerde kilo nog een winst maakt van circa 3 eurocent.

De grootste klant van TRD is Richard uit Ghana. Öztürk wil niet dat de achternaam van Richard in de krant komt. Andere sorteerbedrijven zouden Richard kunnen benaderen. Öztürk wil Richard niet kwijt.

Vier keer per jaar vliegt Richard naar Nederland. Hij komt helpen sorteren. Bij TRD of bij het andere bedrijf waarmee hij zaken doet. Hij draagt altijd dezelfde tweedehands spijkerbroek die hij zes jaar geleden bij TRD heeft gekregen. Hij heeft altijd eigen eten bij zich. Slapen doet hij bij zijn broer in Den Haag.

Overdag staat hij naast de sorteersters. Hij laat zien welke kleren hij wel en welke hij niet wil. Hij duikt een gordijn na dat ten onrechte in een bak voor bruikbaar textiel is gegooid. Niemand weet zo goed als hij wat zijn klanten wensen. ‘Ik moet zorgen dat ik kwaliteit krijg. Vanwege die kwaliteit komen mijn klanten naar mij.’ De baal met de broek van Moniek ploft in de container. De lading is precies zoals Richard graag heeft. Veel huishoudtextiel. Veel vrouwenkleding. Weggemoffeld zes balen met bustehouders. Vier balen met slipjes. Ook losse zakken met riemen en tassen. In totaal minder dan dertig verschillende artikelen. Samen circa 22 ton.

De overtocht in een vrachtschip duurt drie weken. In Ghana zien vrouwen al reikhalzend uit naar de broek van Moniek. De cacao-oogst is net binnen. De boeren hebben geld te verteren. En Kerst is in zicht. Dat is de tijd om de familie in het nieuw te steken. De vraag naar tweedehands kleren stijgt naar zijn jaarlijkse hoogtepunt.

In de winkel waar Richard kantoor houdt, staan de telefoons niet stil. Twee rinkelen er op zijn bureau. Twee trillen er in zijn broekzak. Waar blijft de nieuwe lading? Dat willen zijn klanten weten. Ze had er al moeten zijn?

Richard kan er ook niets aan doen. In de aanloop naar Kerstmis kan de haven van Tema de aanvoer niet verwerken. Vier containers dobberen op een schip voor de kust tot ze gelost kunnen worden. Twee staan er te wachten in de haven om te worden ingeklaard.

Zittend voor zijn winkel in Kumasi, de tweede stad van Ghana, kijkt Richard uit over een deel van Kejetia. Naar verluidt de grootste markt van West-Afrika met 10.000 handelaren samengepropt op 12 hectare. Dan zijn de ‘wandelende winkels’ nog niet meegeteld die in de omliggende buurten onvermoeibaar hun rondjes maken. De straatverkopers die hun handelswaar op hun hoofd of in hun handen dragen. Vijf hemden. Tien petten. Hun hele assortiment.

Zo is Richard in 1983 ook begonnen na de middelbare school. Met vijf vrouwenbroeken. Vrijwel alle winst gebruikte hij voor verbreding van het aanbod. Al snel waren het er tien. Te voet trok hij door de dorpen, waar ook de mindere waar een koper vindt. Dat was in de tijd dat tweedehands kleding nog dead white men’s clothing werd genoemd. Ghanezen konden zich niet voorstellen dat levende mensen zulke goeie kleren zomaar weg zouden doen.

Richard (47) laat de marktkraam – RB196 – zien waar hij in 1986 de kleren uit zijn eerste baal verkocht. Daarna heeft hij zich snel omhoog gewerkt. Eerst wierp hij zich op de tussenhandel. Voortaan haalde hij zijn balen in Togo. Met tientallen tegelijk. In 1994 waagde hij een nieuwe sprong voorwaarts en reisde naar de bron: Europa. Tegenwoordig laat hij maandelijks drie, vier containers uit Nederland komen, waarvan één uit Dordrecht. Hij is de op twee na grootste groothandelaar in ‘fos’, de lokale naam voor tweedehands goed.

In Kumasi loopt hij niet rond in tweedehands jeans. In het weekend draagt hij een traditionele Ashanti toga. Vandaag gaat hij gekleed als geslaagde Afrikaanse zakenman. Glimmende bruine schoenen. Een lichtpaars hemd met beige vegen dat speciaal voor hem gemaakt is. Een bruine broek die hij steeds optrekt aan de leren riem.

Richard maakt een ochtendronde door Ashtown. Dat is belangrijk, want als groothandelaar moet je weten wat er gebeurt in de markt.

Je moet ook je relaties onderhouden. Dit is een branche van vertrouwen en contacten. In deze wijk huizen de tussenhandelaren. Hier hebben ze hun winkels, die zich uiterlijk in niets van elkaar onderscheiden. Overal dezelfde schimmige pijpenla vol opgestapelde balen. Richard groet alle handelaren. En alle handelaren groeten Richard. Ze spreken hem aan met ‘baas’ of ‘directeur’.

Vroeg in de ochtend arriveert per truck de broek van Moniek. Lossers schuiven de balen naar de rand van de container. Sjouwers rollen de balen op hun schouders. Zij verdelen de bijna 500 balen over de klanten van Richard. Balen met opschrift HHR, huishoudtextiel, naar Mary Pokua. Balen met opschrift LMP, ladies modern pants, naar Ahmed Agyjei. De prijzen van de artikelen variëren sterk: Tachtig cedi voor een baal sokken: 56 euro. Honderd cedi, 70 euro, voor de baal met de broek van Moniek. Bh’s per baal zijn prijzig: 310 cedi, 217 euro. Om gezondheidsredenen is het verboden om ze in te voeren. Geen haan die ernaar kraait.

Hoe lang de baal met de broek van Moniek in de winkel van Ahmed Agyjei (43) blijft liggen, daar valt geen peil op te trekken. De ene dag verkoopt hij dertig balen. De andere dag niet meer dan twee. Gemiddeld slijt hij per maand 250 balen. Gemiddeld maakt hij 10 procent winst. Zijn kopers zijn vooral andere tussenhandelaren die de textiel naar de verste binnenlanden vervoeren en daar doorverkopen, per baal of per stuk. Ook marktkooplui van Kejetia halen hier hun verse waar. Waarom kopen ze bij hem en niet bij een van zijn buren met ogenschijnlijk precies dezelfde balen? Vanwege de voorkomendheid waarmee hij zijn klanten bejegent. Omdat hij bekend staat om de kwaliteit van zijn textiel. Klanten weten dat ze bij hem terug kunnen komen als een baal met lakens vol blijkt te zitten met slopen. Hij zal ze schadeloos stellen. Dat verrekent hij later met Richard wel weer.

Het oog van Kwabena Opoku Marfo valt op de baal met de broek van Moniek. Kwabena (52) staat al 15 jaar met vrouwenbroeken op de markt. Ahmed vindt het goed dat Kwabena met één vinger een gat in de baal maakt om de inhoud te keuren. Aan de buitenkant doen ze bij TRD altijd spijkerbroeken om klanten lekker te maken. Maar wat zit daaronder? De aankoop blijft altijd een gok. Kwabena onderscheidt drie soorten broeken. Klasse 1, dat zijn broeken waar vrouwen bij zijn kraam om vechten. Modieuze broeken. Van goede materialen. In uitstekende staat. Klasse 2, dat zijn de best nog aardige broeken. Licht versleten. Verouderde modellen. En dan heb je nog klasse 3, de armeluisbroeken. Met vlekjes. Hobbezakken. Van slechte stof.

Hoeveel winst hij maakt op de baal die hij koopt voor 110 cedi, 77 euro, hangt af van het aantal klasse 1-broeken dat hij daarin vindt. Die verkoopt hij gemiddeld voor vijf cedi. Heeft hij er twintig, dan is hij al bijna uit de kosten. Zijn het er vijf dan heeft hij een probleem. Klasse 2-broeken doen per stuk hooguit anderhalve cedi. Dan blijft hij zitten met klasse 3 die hij misschien nog aan opkopers kwijt kan voor twee cedi per tien broeken. Goed genoeg voor vrouwen in het dorp.

Morgenvroeg komt Kwabena de baal met de broek van Moniek pas halen. Eerst moet hij het nieuws verspreiden onder zijn beste klanten: morgen opent hij een nieuwe baal. Tweedehands kleding is niet alleen voor de armen. Tweedehands is niet tweederangs. Vijfennegentig procent van de Ghanezen koopt tweedehands kleren, schrijven de Britse onderzoekers Sally Baden en Catherine Barber in hun rapport The impact of second-hand clothing trade on developing countries. Vrouwen uit de middenklasse vinden het een sport om op de markt langs de kramen te shoppen en thuis te komen met de mooiste, modieuze kleren. Dan zeggen ze tegen hun vriendinnen: ‘Je raadt nooit wat ik hiervoor heb betaald.’ Voor een nieuwe broek, van mindere kwaliteit, waren ze in The Ultimate Shopping Centre, die snobzaak in het centrum van Kumasi waar blanke paspoppen je hooghartig aanstaren, zeker 100 cedi, 70 euro, kwijt geweest.

Kwabena moet zich de volgende ochtend met zijn baal een weg banen langs slingerpaden van de markt. Overal wemelt het van mensen die tweedehands kleding willen kopen. Overal ritselt het van mensen die er hun brood mee verdienen. Eerst schuifelt hij door de straat van de strijkers, waar gespierde mannen de waarde van de kleren helpen verhogen door met een stenen bout elke plooi, elke vouw te verjagen. Dan sloft hij door de straat van de naaimachines, waar kleermakers goedkope damesbroeken tot dure herenbroeken maken door de sluiting van de gulp te keren.

De handel in tweedehands kleren biedt werk aan zeker 150.000 Ghanezen, volgens een schatting van de Britse onderzoekers. De broek van Moniek is de brandstof van die informele economie. Richard houdt de motor draaiende.

De handel in tweedehands kleding heeft ook een schaduwkant, zeggen de onderzoekers. Hij ondergraaft de Ghanese productie van textiel. Maar Ghanese kledingbedrijven kunnen op de internationale markt toch niet concurreren. Als de aanvoer van westerse tweedehands kleding zou stoppen, zeggen de Britse onderzoekers, zou die onmiddellijk worden vervangen door goedkope, laagwaardige import uit Azië.

Kwabena staat op het punt de baal open te scheuren. Dat is altijd een spannend moment. Tientallen kooplustigen kijken hem op de vingers. Niemand spreekt er een woord.

Als de baal eenmaal openbarst, is het pleit snel beslecht. Zeven schatzoekers hebben de juweeltjes geplukt uit de berg van 200 broeken. Zij houden trots hun buit omhoog. Andere vrouwen druipen af.

Kwabena heeft nu alle tijd om de broeken te sorteren. Broeken van klasse 2 hangt hij op een hangertje. Broeken van klasse 3 stapelt hij op een schraag. En dan is er kennelijk nog een onderklasse die hij uit het zicht legt omdat hij die broeken toch nooit verkoopt. De broek van Moniek komt op een hangertje.

Richard maakt zich druk over zijn containers die nog steeds buitengaats zijn. Elke dag dobberen kost hem geld. Hij weet ook wel dat dit het risico is van ondernemen. Net zoals koersfluctuaties en politieke onrust. En ontevreden klanten. Twee keer heeft binnengestroomd zeewater hem een deel van zijn lading gekost

Je hoort Richard niet klagen. Ook kleine marges leveren bij voldoende omzet mal- se winst. Vol trots toont hij het huis met twaalf kamers dat hij in zijn geboortedorp Adanwomase heeft laten bouwen. De villa voor zijn kinderen is nog in aanbouw. Ervoor komt een fontein. Volgens een voorzichtige schatting maakt hij per container minimaal 3.000 euro winst. Dertien cent per kilo. Vier cent op de broek van Moniek. In een jaar 150.000 euro.

Dat is veel geld in Ghana. Maar Richard heeft ook veel verplichtingen. Minder fortuinlijke familieleden helpt hij aan een huis, aan werk, aan kleding, aan voedsel. Hij spekt ook de kerk. Richard is een liefdadigheidsorganisatie op zich. Hij zorgt er wel voor dat zijn bedrijf niet onder zijn vrijgevigheid bezwijkt. ‘Anders droogt de bron op die de dorstenden laaft.’

De handel in tweedehands kleding is een van de weinige bedrijfstakken die niet door grote bedrijven worden beheerst, schrijft de Amerikaanse econome Pitera Rivoli in haar boek The Travels of a T-shirt in the Global Economy. Ze constateert dat er bij katoenproductie en in de textielindustrie geen sprake is van vrije handel omdat overheden die markten controleren. Alleen de handel in tweedehands kleding noemt ze ‘werkelijk vrij’. Een branche ‘van de massa voor de massa’.

Rebecca Donkor (35) is fruitverkoopster. Ze heeft de broek van Moniek al eerder zien hangen. Ze heeft hem ook al gepast. Dat wil zeggen: op de Afrikaanse manier. Ze heeft de taille om haar nek geslagen. Als de broek om haar nek past, kan hij ook om haar heupen. Ze betaalt 1 cedi, 70 eurocent.

Rebecca draagt voortaan de broek van Moniek.

Dick Wittenberg heeft als redacteur van NRC Handelsblad 12 landen in Afrika bereisd.

Jildiz Kaptein is freelance fotograaf. Ghana was haar kennismaking met Afrika.

    • Dick Wittenberg