Nietzsche en kebab

Iran is niet de meest voor de hand liggende toeristische bestemming. Het is een land van sprookjesachtige moskeeën en modderhuizen, maar ook een verwarrend contrast tussen olijke mensen en vrome regeltjes.

Winkelstraat in Teheran Iran, Teheran, 02-02-2008 Winkelstraat in Teheran. Een man maakt eten (snacks) klaar opstraat. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Een benarde situatie. Op een pleintje in een stad in Iran worden we belaagd. We zijn omsingeld, zwarte hoofddoekjes om ons heen joelen en gillen. Er rest niet anders dan een beetje onwennig lachen.

En dat is precies de bedoeling. Want de groep middelbare-schoolmeisjes in uniform wil maar één ding: met mij, westerlinge, met veel te kinderachtig en felgekleurd hoofddoekje, op de foto. Het ene na het andere meisje roept in het Perzisch „nu ik!”, geeft me een stevige arm en kijkt stralend in de lens van de camera die haar klasgenootje vasthoudt. Ze gieren het uit: „I love you!”

We staan in een stralende zon in de Iraanse stad Shiraz, bij het tempeltje voor de Perzische dichter Hafez. De verzen van Hafez zijn doordrenkt van liters wijn en liefdesverdriet, zijn hedonistische levenslessen worden volgens onze gids door Iraniërs vaker geciteerd dan oneliners uit dat andere boek, de Koran.

En inderdaad: een jongen met lang haar, gympen en spijkerbroek heeft zijn hele bovenlichaam als smachtende minnaar over de graftombe gedrapeerd. Zijn wang rust op het koude steen, in zijn handen houdt hij een exemplaar van de Divan, Hafez’ verzamelde werken. Gevoel voor drama kan Perzen niet ontzegd worden.

Helaas zien we daar meestal de negatieve kantjes van. „Wie gaat er nou op vakantie naar Iran”, vroegen vrienden van te voren. „Is dat niet gevaarlijk?” De bevolking zal wel een hekel hebben aan alles wat naar Amerika riekt, en dus ook aan Nederlanders. Om nog maar te zwijgen van de fijne wereldwijde Wilders-publiciteit. Je zou het ze nauwelijks kwalijk nemen als wij weer met pek en veren op het vliegtuig werden gezet.

Het is dat mijn vader erheen werd gestuurd voor werk en er een weekje vakantie aan vast wilde knopen. Omdat het wel spannend klonk, besloten we met hem mee te gaan. Eens zien hoe het is om echt in een moslimtsunami te zwemmen.

Tijdens de overstap op het vliegveld van Milaan koop ik een knalroze sjaal. Voor straks, bij de landing op Imam Khomeini International Airport in Teheran. Vanaf dat moment moeten alle vrouwen de verplichte hoofddoek op. Ook in het museum, ook in het theehuis, ook tijdens het eten. Dan kun je er dus beter een hebben die een beetje leuk kleurt bij je jas – die óók altijd aanmoet, om vrouwelijke vormen te verhullen.

We rijden langs de nog af te bouwen hypermoderne tombe van Khomeini: een stadiongrote moskee met vier metershoge verlichte minaretten. De chauffeur, die niet veel Engels spreekt, moet lachen om onze open monden. „It’s crazy”, schudt hij z’n hoofd.

Ook onze andere gidsen deze week blijken niet bepaald islamtrouw. „Of ik wel eens bid?”, lacht de mollige ‘Angel’, versierd met dikke make-up en een loshangend sjaaltje over haar blond geverfde kuif. Welnee. Nog nooit in haar leven. Ze bestelt kebab tijdens de lunch, brengt ons naar de schatkist van de nationale bank, vol glanzende koningskronen en diamanten, en leidt ons rond langs de gebroken vazen in het archeologisch museum.

Wij zijn meer geïnteresseerd in de shari’a en de zwarte chadors die op straat lopen. Oh dat, zegt ze. Ze vindt het eigenlijk niet zo interessant. Dat is allemaal tijdelijk, komt wel weer eens goed. Liever concentreert Angel zich op de geschiedenis van het grote Perzische rijk. Ze draagt kleurige, haast folkloristisch aandoende jassen en schoenen.

Maar behalve de vele Perzische schatten is daar ook de Amerikaanse ambassade, waarvan de hekken zijn vol gehangen met opruiende teksten vol ‘evil’ en ‘devils’, en muurbeschilderingen van de oude ayatollah. Aan de kilometerslange winkelstraat lijkt enkel plek voor herenschoenen en herenkleding, in fastfoodvitrines staan blikjes maltbier in perzik-, citroen- of granaatappelsmaak opgesteld.

Teheran is druk, grauw en koud. Rond het paleizencomplex van de oude Sjah staan we tot de kuiten in de sneeuw. Net als het standbeeld van de Sjah zelf – maar dat hééft alleen nog laarzen en kuiten, na het afhakken van de rest van zijn in brons gegoten lichaam.

Een dag later vliegen we naar een zonnig Shiraz. De grootste toeristenattractie van Iran ligt enkele kilometers buiten de stad, de Akropolis van de Perzen: Persepolis.

Op een plateau in de woestijn zie je de pilaren van ver opdoemen. De lucht is strakblauw, neuzen verbranden onder de hoofddoekjes door het omhoog staren naar wonderbaarlijk intact gebleven zuilen en wandversieringen van Meden en Perzen.

De Perzische koningen Darius en Xerxes stampten rond 500 voor Christus deze stad uit de grond, middenin de woestijn. Ze bouwden wat de decadentste feestpaleizen van de oudheid moeten zijn geweest. Waar de heersers uit het hele Perzische rijk, van India tot Bulgarije, politiek kwamen bedrijven.

Totdat de paleizen, vele met houten daken, afbrandden. Volgens sommige historici door toedoen van Alexander de Grote, die aan deze kant van de Hellespont daarom steeds neutraal wordt aangeduid als Alexander van Macedonië.

In een theehuis langs de weg eten we, jawel, kebab. Als er iets lijdt onder het gebrek aan keuzevrijheid in dit land is het de eentonige menukaart, die bestaat uit kebab of kebab. En omdat wijn van de beroemde shiraz-druif natuurlijk uit den boze is, drinken we steeds cola of citroen-maltbier.

Cynischer kan het niet: de druiven worden nog steeds geteeld, de wijn wordt buiten Iran gemaakt. Tenminste, officieel, lacht de lokale gids: hij vertelt over ‘vrienden’ die thuis wijn maken en deelt zijn favoriete anti-katerrecept.

De associatie van terreur, van openbare executies en kernbommen, is steeds verder weg. ’s Avonds in het hotel spelen we pool met de plaatselijke voetbalploeg, overdag worden we in efficiënt tempo langs sprookjesachtige moskeeën en paleizen geleid.

De muren zijn versierd met tegeltjes waarop geschilderde rozen, gele bloesems en zelfs Europese kerkjes of Russische vrouwen zijn afgebeeld. Fruitboompjes garneren de binnentuinen, in de lange spiegelende vijvers zitten goudvissen.

En hoewel Iraniërs volgens hun sji’itische geloof drie keer per dag zouden moeten bidden, zijn de moskeeën nagenoeg leeg. Onze gids formuleert het zo: „Iran heeft een religieuze regering, niet een religieuze bevolking.” Zelf leest hij Nietzsche. „Yep”, grijnst hij, „God is dood.” Hij heeft het werkje gewoon via internet besteld.

’s Avonds, tijdens een wandeling langs de goedkope-kledingzaken en elektronicawinkels op de drukke boulevard, worden we even wakker uit onze duizend-en-een-nachtdroom. Twee vrouwen in zwarte chadors en twee mannen in legeruniform houden een stelletje staande. Ze hielden elkaars hand vast, zegt een meisje dat toekijkt, hand voor de mond geslagen.

In Esfahan, een paar dagen later, laat de zedenpolitie zich niet zien. Gelukkig maar, voor de vele nauwkeurig gecoiffeerde jongens die op de uitgestrekte boogbruggen flaneren en het verbod op homoseksualiteit met voeten lijken te treden.

Volgens de gids geldt de doodstraf vooral als symboolpolitiek om dissidenten te straffen. En „natuurlijk” voor moordenaars. Hij voegt fijntjes toe dat doodstraf in de VS ook bestaat.

Niet meer aan denken, want Esfahan blijkt een oase met zijn groene, gigantische Imamplein, parken met paleizen en betoverende lampjes langs de rivier.

Het gebrek aan opdringerigheid is in Iran een groot verschil met andere vakantiebestemmingen. Vaker komen willekeurige mensen op straat een opgetogen „Welcome to Iran!” zeggen. Maar in Esfahan bevindt zich het echte massatoerisme en worden we achtervolgd door tapijthandelaren, die letterlijk „tapijtjekopen” roepen.

Om een overdosis moskeetegeltjes te neutraliseren verlaten we de stad en gaan op weg naar Yazd. Het minibusje rijdt door de spectaculaire saaiheid van de woestijn. Links zand, rechts zand, onderbroken door heuse waarschuwingbordjes voor overstekende kamelen en oases met lemen moskeeën.

In een buitenwijk van de antieke stad Na’in staat nog een enorme lemen moskee met ondergrondse gangen en koeltorens. De woningen rond de moskee zijn half ingestort en worden gebruikt als vuilnisbelt. Toch blijft het een bizarre omgeving van zandkleurige Barbapapa-modderhuizen. Aan het eind van een steegje is het dorp ineens afgelopen en strekt de woestijn zich in kilometers eindeloze niksheid uit.

In Yazd wordt kebab als lunch geserveerd. Het decor: een historische villa van een achttiende-eeuwse woestijn-industrieel.

De binnentuin is er één van romantisch kaliber, waar je ’s zomers vast prachtig kunt theedrinken op de Perzische ligbedden. De ober kijkt naar zijn complete verzameling landenvlaggetjes en plant vervolgens een Nederlands exemplaar op onze tafel.

Tijdens een wandeling door het doolhof van kleihuisjes in Yazd zakt de zon achter de oranje lemen laagbouw. De terugweg gaat via een binnenlandse vlucht naar Teheran.

Op het vliegveld gaan mannen en vrouwen gescheiden door de douanepoortjes. Daar wordt aan een groepje dames gevraagd of ze hun zedig zwarte chador even willen afdoen, voor controle. En wat er dan te voorschijn komt: naveltruitjes boven absurd korte rokjes.

Het blijft maar verbazen, dat contrast tussen olijke mensen en vrome regeltjes. En laat een diepe verwarring achter. Terwijl leiders de macht denken te hebben, lijkt subtiel verzet op tientallen manieren mogelijk en is Iran eigenlijk best een ontspannen land. Met Nietzsche, zelfgestookte wijn en geblondeerde pony’s.

Deze rondreis door Iran met gidsen, vervoer en hotels werd georganiseerd door een bureau in Shiraz, www.irantravelingcenter.com
    • Olga van Ditzhuijzen