Mohammed A.

Illustratie Rik van Schagen Schagen, Rik van

'Juf, hij pest me, hij zegt dat ik familie van Mohammed B ben’.

“Hé El Pestkop, wil je even met die onzin ophouden,anders laat ik je een stamboom maken van de Oranjes, met alle buitenechtelijke dochters. En dan ben je nog wel even bezig.”

Er wordt op de deur geklopt. Het is Mohammed A. en hij wil weten of ik de cijfers heb. Hij zit in de havo-kansklas. Ik heb een enorm zwak voor hem. Hij is nog lang geen 1 meter 40, heeft een brilletje op dat ‘ik ben heel erg bijziend’ schreeuwt en een hese stem.

Mohammed A. achtervolgt alle docenten met zijn agenda, hij is in de ban van zijn resultaten. Hij moet en zal na dit brugklasjaar doorstromen naar de havo, het is dus zaak om zijn gemiddeldes goed te monitoren. Aangezien er altijd wel een cijfer op te vragen is, staat hij vaak in de deuropening van de docentenkamer, waar leerlingen persona non grata zijn.

De hele havo-kansklas is trouwens in de ban van de magische overstap naar de havo aan het eind van dit jaar. Ooit door een CITO-score of advies van de basisschool bestempeld als vmbo-t’ers, zien ze deze klas als laatste kans op iets ‘hoogs’. Je kunt als docent alle andere wegen schetsen om dat ‘hoogs’ te bereiken, maar dat wordt met een welwillend vrouwtje-praat-maar ontvangen.

Als ik de eerstvolgende les voortvarend wil beginnen, steekt Mohammed zijn vinger op. “Juf, u zou een m.o. geven!” “Da’s waar ook. Ik heb drie kandidaten nodig.” Vijftien vingers gaan de lucht in.

Zeven mondelinge overhoringen verder ben ik het zat. Ik weiger om wie dan ook nog te overhoren, spreek ik vastberaden. Uit mijn ooghoeken zie ik Mohammed A. tevreden zijn 9- in zijn agenda schrijven.

Joyce de Grand

    • Joyce de Grand