Leesbril is vooral nodig omdat de kern van de ooglens harder wordt

Model van de ooglens: de kleuren geven mogelijke stijfheidsverschillen weer. Die bestaan bij 60-ers, maar bij 20-ers nog niet.

Vijftigers moeten langzaam maar zeker aan de leesbril omdat vooral de kern van hun ooglens stijver wordt. Op veertigjarige leeftijd is de lenskern nog even soepel als de buitenkant. Maar de ooglens van een zestigjarige heeft een verharde kern die nauwelijks meer mee kan doen aan het opbollen van de lens. Dat blijkt uit onderzoek van de werktuigbouwkundige Henk Weeber die al 20 jaar onderzoek doet aan kunstlenzen die bijvoorbeeld bij staaroperaties worden ingezet, tegenwoordig bij Advanced Medical Optics in Groningen. Zijn onderzoek aan de verouderende echte ooglens moet kennis leveren voor nieuwe kunstlenstechnieken, schrijft Weeber. Hij promoveerde afgelopen woensdag aan de Vrije Universiteit.

De ooglens zit achter hoornvlies (het harde buitenoppervlak van het oog), voorste oogkamer en iris. Bij dichtbijzien trekt de kijker zijn ooglens wat boller met een cirkelvormige spier die rond de lens ligt. Dat heet accomoderen en het zorgt ervoor dat het beeld van een voorwerp dat dichtbij is toch scherp op het netvlies achterin de oogbol terecht kan komen. De lens zit met peesjes – de zonulavezels – vast aan die ciliaspier. De spieren behouden hun kracht bij het ouder worden, zoveel was wel zeker. De aanname was dat de lens in de loop van het leven opstijft.

Weeber bouwde een computermodel waarin veranderingen aan de lens, de omhullende kapselzak en de zonulavezels het effect op het scherpstellen laten zien. Weeber werkte met de eindige elementen methode, waarin complexe vormen worden opgedeeld in veel kleine volumes met eenvoudige vormen die krachten op elkaar uitoefenen en dan van vorm veranderen. In de illustratie geven de zwarte vakjes aan met welke deeltjes Weeber rekende. Met een langzaam maar zeker gelijkmatig stijver wordende lens kon Weeber het relatief snelle verlies van het accomodatievermogen na het vijftigste niet verklaren.

De oplossing vond Weeber toen hij door het meten aan ooglenzen van overleden donoren van verschillende leeftijden vaststelde dat de lens niet op alle plaatsen even stijf is. De lens van twintigjarigen is zowel soepel in de kern als aan de buitenzijde. Bij het ouder worden neemt die soepelheid wel met een factor 1.000 af, vooral in de kern. Ingebouwd in het computermodel zag Weeber dat dikte-aanpassingen in de lens vooral in de kern ontstaan. Het model gaf vervolgens een goede verklaring voor de snelle behoefte aan de leesbril.

Wim Köhler

    • Wim Köhler