Ik wil bijzonder zijn

Als cabaretier had hij tot de avant-garde willen behoren. Nog steeds wordt Hans Liberg met de Tros vereenzelvigd. Over de grens krijgt hij de erkenning die hij in eigen land ontbeert.

‘Ivo Niehe was een van de eerste mensen die een kaartje kochten voor mijn show’ Foto Vincent Mentzel Hans LIBERG (1954), musicus,cabaretier. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Hilversum, 20 februari 2008 Interview met Hans Liberg. Hij zocht het publiek van de VPRO en vond de aanhang van de Tros. Gesprek met de netste cabaretier van Nederland in de aanloop naar zijn 25-jarig jubileum. Mentzel, Vincent

Als het wit glimmende Chevrolet Explorer busje na de ruim vier uur durende autorit stopt bij de artiesteningang van de Musikhalle Hamburg wijst Hans Liberg naar het aanplakbiljet naast de deur. Op de poster staat dat de violiste Isabelle van Keulen hier twee dagen achtereen werken speelt van Mahler, Beethoven en Lutoslawski. „Ook zo’n Nederlandse artieste die je tegenwoordig eerder in het buitenland aantreft,’’ zegt Liberg. En dan corrigeert hij zich snel. „Hè, nou heb ik me verdomme toch nog versproken.’’

Niet mopperen, dat is de houding van de Amsterdamse ‘klavierkomiek’ tijdens het vraaggesprek op de lange reis van zijn boswoning in Hollandsche Rading naar de Duitse havenstad. Aan de vooravond van een reeks concerten in theater Carré in Amsterdam – waar hij de komende week zijn 25-jarig jubileum als sit-down comedian viert – wil de 53-jarige Hans Liberg niet klagen.

Toch zijn er enkele, spaarzame momenten tijdens het onderhoud dat de levensblije Liberg stilvalt. Als er gesproken wordt over zijn imago, bijvoorbeeld. Dat hij mogelijk niet altijd de waardering krijgt van dat deel van het publiek dat hij eigenlijk het allerliefste zou willen bekoren. „Laat me nog even over die vraag nadenken’’, zegt hij dan.

„Toen ik begon, wilde ik als artiest in een bepaalde hoek terechtkomen. Het is een cliché maar ik zocht het publiek van de VPRO en van NRC. Ik wilde iets nieuws brengen en je denkt: bij die clubs gebeurt het. Daar zaten ook Koot en Bie, en Freek. Daar was de avant-garde. En dan gaat het opeens toch niet zoals je wilde.”

„Ivo Niehe was een van de eerste mensen die een kaartje kochten voor mijn shows. Hij zag het helemaal met me zitten. Ik verscheen in zijn Tros-programma, ook al was dat not done. Niehe heeft niveau en wat hij maakt, scoort. Niehe produceerde mijn programma waarmee ik in 1997 in New York een Emmy won in de sector popular arts. Dat is geen andere Nederlander gelukt en daar ben ik heel trots op. Niehe stopte me in een laatje, met van binnen mooie bekleding en vloerverwarming.’’

Is uw carrière op een verkeerde manier gelanceerd?

„Het is gegaan zoals het is gegaan. Ik heb mijn eigen publiek opgebouwd dat zeer breed is en intelligent. Maar de Tros is een rare omroep. Ze zenden ook Dit was het Nieuws uit en daarna weer André Rieu en daar pas ik eigenlijk niet tussen.

„Toch is het einde nog niet bereikt. Er zit nog groei in mijn carrière. Mijn vrouw vertelde laatst dat ze een dame had ontmoet die nog nooit van mij had gehoord terwijl ze toch typisch tot mijn doelgroep behoort: een spirituele dame uit Amsterdam-Zuid die van lekker eten houdt.”

„Voor veel mensen ben ik te lang een groot geheim gebleven. Mijn zoon Bengt (16 jaar) zei altijd tegen me: ‘Ze hebben het nóóit over jou op school. Ze praten alleen over Hans Teeuwen’. Maar nu vertelden ze op school dat ze laatst in december allemaal mijn show hadden gezien op televisie. En ze vonden het nog leuk ook. Toch ben ik niet van plan het ook op de affiches te zetten: Hans Liberg, nu ook voor jongeren!’’

Zweeds bloed heeft Liberg. Hij is een afstammeling van Åne Liberg die als schipbreukeling in 1847, of daaromtrent, aanspoelde op Terschelling. „De burgemeester van het eiland heeft me wel eens verteld dat een van de drie oudste grafstenen bij de Brandaris van Liberg is. Hij voorzag aanvankelijk in zijn leven als strandjutter. Åne Liberg was een vingerbijter. Hij beet vingers van aangespoelde en opgezwollen lijken om de ringen af te kunnen nemen.”

Hans groeide op in de Jordaan. De man die carrière maakt als muzikale krachtpatser, komt niet uit een bijster muzikale familie. Thuis hadden ze aanvankelijk slechts twee platen: een LP van Readers Digest met alle klassieken van Gershwin en een opname met Beethovens Vijfde. „Waarschijnlijk een presentje van Albert Heijn.”

„De eerste plaat die ik zelf aanschafte, was van Willeke Alberti: Spiegelbeeld. En dan was er ook nog het kastje van de radiodistributie. Als ze me stil wilden krijgen, moesten ze me daar voor zetten. Ik speelde al snel op gehoor de klassieke deuntjes na op de piano.”

Was het niet eigenaardig om uitgerekend liefde voor klassieke muziek te tonen in een tijd waarin leeftijdgenoten zwijmelden bij soulmuziek of rockopera’s?

„Klassieke muziek was voor mij altijd een middel om op te vallen. Ik wil bijzonder zijn. Dan liep ik door de gangen van het Cartesiuslyceum een pianoconcert van Rachmaninov te fluiten. Dat deed verder niemand op het gymnasium. Het Cartesius was namelijk een working class lyceum in Amsterdam.

„De jeugd draagt altijd een uniform en daar wilde ik met mijn kleding ook van afwijken. Ik droeg broeken met heel wijde pijpen, heupbroeken met een grote riem en een mooi wit, corduroy pak. Ik had een blouse met pofmouwen die met goud was bedrukt. En dan was ik reuze trots als een leraar tegen me zei dat het zo goed was dat ik dat allemaal durfde.”

Al die uitsloverij alleen maar om meisjes te versieren?

„Neen, daar was ik helemaal niet mee bezig. Ik ben niet zo’n versierder. Ik ben veel te bleu, zo monogaam als de pest. Het is puur de behoefte om op te vallen. En mode vond ik heel leuk. Ik toupeerde ook iedere ochtend mijn haar. Ik liep rond met blote voeten in sandalen. Het is een soort fetisjisme.”

Dat touperen van zijn eigen haar doet Liberg tegenwoordig nog maar zelden. Wel houdt hij erg van aparte kleding. Liberg draagt nu alleen nog maar designkleren van de Japanse modeontwerper Yoshi Yamamoto. In de auto zit hij met een blauw pak met een jasje met lange panden.

Na het gymnasium studeert Liberg muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. En hij klust bij als muziekleraar. Het blijkt een uitstekende voorbereiding voor wat komen gaat.

„Ik denk dat ik als leraar op de Nutsmavo in Breda ontzettend veel heb geleerd. Probeer die jongeren maar eens te pakken te krijgen. Het eerste jaar was een rampjaar. Ik had moeite om orde te houden. Je krijgt van alles naar je hoofd en je had ook geen enkele sanctie. Het vak interesseerde ze niet. Dan begon ik uit te leggen dat de stok het mannelijke lid was en de trommel het ontvangende orgaan. Dan kwamen ze niet meer bij.

„Ik probeerde ze te begrijpen. Ik kon me ergens ook wel goed indenken dat ze de muzieklessen saai vonden. Uiteindelijk ben ik carnavalsnummers op bepaalde manieren gaan spelen en gaan ontleden. Het was een manier om met spiegeltjes het vertrouwen van de inboorlingen winnen. Na een tijdje riep ik, geloof ik, minder agressie op.”

Het is Libergs echtgenote, de in het Limburgse Panningen geboren schilderes en beeldend kunstenars Marliz Frencken, die in 1980 het komisch talent van hem ontdekt. Ze ziet hoe haar man de zaal weet te boeien als hij tijdens de schoolrevue een lied zingt van Kermit de Kikker. ‘Why are there so many songs about rainbows?’ Frencken moedigt Liberg aan ’t als artiest te proberen. „Dat was mijn magische moment.”

De doorbraak komt in 1983 op het Camarettenfestival in Delft. Op de wedloop voor kleinkunstenaars domineren dat jaar de makers van pretentieloze pret als nooit tevoren. Winnaar is Brigitte Kaandorp (1962) en de persoonlijkheidsprijs gaat naar Paul de Leeuw (1962). Hans Liberg wordt tweede.

„Brigitte Kaandorp dacht dat ik zou winnen omdat ik zo veel kon. Maar toen zij opkwam, zei mijn vrouw al: ‘Daar krijg je een zware dobber aan’. Zij strompelde briljant over het podium. ‘Heeft iemand een paar pumps, maat 40, want ik ben ze vergeten’. Ze zei dat ze een liefdesliedje ging zingen en zong toen: ‘Ik haat je, ik haat je, je bent een gore lul’. Het was allemaal nieuwe lulligheid, nu zouden we het geloof ik camp noemen. De Leeuw deed een typetje.

„Ik zong het carnavalsliedje Ik heb een boterham met ham dat expres zo ingewikkeld was dat niemand het mee kon zingen. Te meer niet omdat ik er steeds stukjes van Grieg en Stravinsky doorheen speelde.’’

Is uw werk veranderd in die 25 jaar?

„De essentie is ongewijzigd. Sommige dingen uit de jaren tachtig kan ik nu nog steeds spelen. Ik blijf high en low culture met elkaar combineren. Klassieke stukken spelen en daar dan iets geks aan toevoegen. Wel is de timing en het gevoel voor het publiek verbeterd. Ik vind het een feest om met de zaal te communiceren. Ik ben veel meer naturel. Er is geen verschil meer tussen wie ik ben en de persoon op het podium. De eerste shows die ik deed, kan ik nu niet meer aanzien. Het was veel te veel: kijk, ik ben leuk.”

Waarom bent u niet gewoon geëngageerd cabaret gaan doen zoals de meeste collega's in die dagen?

„Ik vond dat zogenaamd aan de orde stellen van al die sociale misstanden vaak zo obligaat. Iedereen deed liedjes over bijstandsmoeders of besprak de ellende in het bejaardentehuis. Ik geloofde niets van het engagement van veel collega’s. Ze waren meer bezig politiek correcte dingen te zeggen. Het was té makkelijk. Maar het werkte wel. Als je over de neutronenbom sprak, had je veel publiek. Het was pure demagogie.

„Nederlanders zijn namelijk heel erg met tekst bezig. We zijn met de bijbel opgevoed. Terwijl ze in het buitenland wel vaak beter de muziek als taal verstaan. Je kunt muziek toch ook lezen als een boek. Ik heb intellectuele vrienden die veel boeken lezen maar nooit over muziek spreken. Dat vind ik raar. Gelukkig kan ik met mijn kinderen goed over muziek praten.

„Ik heb het trouwens niet begrepen op politici. Het zijn allemaal zwamneuzen. Ze kunnen nog geen patatkraam een weekeinde draaiende houden. Dat zie je nu wel weer aan het onderwijs dat ze totaal kapot geregeld hebben. Politici zijn zo inferieur dat ik me niet met ze wil bezighouden. Het is een rare kaste die te veel geld uitgeeft.

„Je zag het onlangs in België. Het ging daar fantastisch toen het land zonder regering zat. Je moet heel veel dingen laten zoals ze zijn. Niets veranderen. Ik ben het eens met wat Wim Kan zei over politici: ‘Ze kunnen helemaal niks, maar wel heel lang achtereen’. In Nederland doen die politici er ook niet eens toe. Het zijn de topambtenaren die alles regelen en die blijven altijd gewoon zitten. Anarchisten spreken me meer aan, heel romantisch.”

Twaalfhonderd Duitsers vullen in Hamburg op deze winterfrisse avond de zaal. Ze zien hoe vier als Chinezen verklede, uit Tsjechië afkomstige leden van een strijkkwartet een Hollandse komediant begeleiden die zijn celliste in het Spaans ondervraagt omdat ze zogenaamd uit Valencia komt. Het is absurd, en dat is ook de bedoeling. Boven het podium hangt een enorme poster waar Liberg staat afgebeeld – met militaire pet met rode ster – als grote Chinese roerganger.

In zijn show neemt hij landgenoot André Rieu op de hak en laat hij de Duitsers horen hoe hun eigen volkslied klinkt als het op Chinese wijze – „met alleen de zwarte toetsen van de piano’’ – wordt gespeeld. „Klinkt eigenlijk veel beter zo’’, zegt Liberg en het publiek lacht voluit. Alleen als hij het publiek aanspoort luidkeels: ‘We houden van Oranje’ te zingen, zwijgt de zaal vol Germanen. Er zijn grenzen aan de ongein.

Na afloop klopt een zeventigjarige Duitser aan de deur van de kleedkamer op zoek naar een Autogramm. Een verslaggever van de Süddeutsche Zeitung komt zeggen dat hij de voorstelling van „grote klasse’’ vond. Hij wil een paginagroot interview voor zijn krant maken.

Waarom staat de show waarin het beste uit 25 jaar Liberg wordt gespeeld, geheel in het teken van China?

„Ik wilde al heel lang iets doen aan dat land. China is booming. Er is erg veel belangstelling voor de economie, de kunst, de Olympische Spelen. En we mogen ook eigenlijk helemaal niet naar China vanwege de mensenrechtenschendingen. Ik vond het ook mooi affiches in Chinese stijl te maken en zelfs het licht bij de show is communistisch. Maar het thema van het programma is vooral een intuïtieve beslissing. Het klopt gewoon maar ik weet nog niet waarom.’’

De komende week geeft Liberg zes jubileumconcerten in Carré. Op de stoep zal een draaiorgel staan dat klassieke werken laat horen. In de laatste voorstelling – de matinee op zondag – zullen ook zijn kinderen acte de presence geven. Zoon Bengt speelt met zijn popgroep Uncle Frankle en de jongste dochter Brit (11 jaar) – die nu een rolletje heeft in de voorstelling van het Nationale Ballet Coppelia – zal dansen. Samen met dochter Liv (15 jaar) zingt Liberg het duet Something Stupid in navolging van van Frank en Nancy Sinatra.

Na Carré trekt Liberg weer de grens over naar België, Duitsland en Frankrijk. Volgende maand speelt Liberg alleen al tien keer achtereen in de schouwburg van Antwerpen.

„De belangstelling in het buitenland slaat een beetje door. Het afgelopen jaar speelde ik de helft van de tijd buiten Nederland. Dit jaar zal het aantal buitenlandse shows verder toenemen. In 2007 gaf ik 150 uitverkochte voorstellingen en dat betekent dat zo’n 120.000 mensen mijn shows bezochten. Dit jaar wordt dat nog meer.”

Voor het geld hoeft u het niet meer te doen?

„Ik verdien goed. En ja, ik zou misschien niet meer hoeven te werken. Maar daar hou ik me niet mee bezig. Ik heb een fantastisch beroep. Het is leuk om voortdurend zo’n warme douche met publiek te ondergaan. Naar de tv-uitzending van mijn show in december keken 1,7 miljoen mensen. Herkend worden op straat is ook geen ramp. Het is altijd positief. Ze roepen nooit: ‘Hee, klootzak.’ Ik moet er niet aan denken dat ik gepensioneerd raak. Ik hou het nog wel 25 jaar vol.”

Liberg vertelt enthousiast hoe hij vorig jaar werd uitgenodigd om in Wenen in het Eldorado van de klassieke muziek, de grote zaal van de Musikverein, te spelen. Het was de eerste keer dat een komiek daar optrad.

„In Nederland reageerde niemand op dat nieuws’’, zegt Liberg. Later begint hij weer over Isabelle van Keulen. „Een heel stevige strijkster’’, zegt Liberg. Laatst zag hij haar in Zürich waar ze een volle zaal trok. „Maar toen ik haar later tegenkwam in Tilburg, zaten er maar een paar honderd man in het theater. Die komt uit eigen land, denken ze dan, dus dat zal wel niet goed zijn.’’

Maar ook dan herstelt Liberg zich weer. Niet zeuren is beter. „Ik ben een heel omarmend type. Ik houd van alle mensen en ik ben zoals mijn publiek. In het buitenland vinden ze me heel leuk omdat ik geen vieze woorden zeg. Ik hou er niet van om kut, lul of neuken op het podium te roepen. Ik treed namelijk niet op om mijn agressie kwijt te raken. Ik ben nu eenmaal een heel nette man.’’

    • Marcel Haenen