Geen taxi? Hoe kom je dan thuis in het Gooi?

Wie staat er voor de rechter en waarom? Het taxiwezen in het Gooi is een ramp. Mensen met een glas op moeten wel zelf achter het stuur, beweert Hendrik.

Door Rinskje Koelewijn

Ze hollen langs de beveiliging. Een man van middelbare leeftijd, in donkerblauw pak, een zijden sjaal wappert om zijn hals. Zij met blond opgestoken haar en een lange zwarte jas met randjes bont rent op kniehoge laarzen met hoge hakken er achteraan. Zo zie je ze niet vaak, in de rechtbank van Amsterdam. Zo gesoigneerd.

Net op tijd wippen ze het zaaltje binnen. Bijna buiten adem zegt de man, Hendrik heet hij, dat hij de zaak voor laat komen omdat hij zijn zegje wil doen. Dat is, erkent de rechter, ieders recht. Sterker nog, zegt Hendrik, hij wil de aandacht vestigen op een misstand.

Wat Hendrik dwars zit, is een boete van 300 euro voor rijden onder invloed. De boete was terecht, daar niet van. Hij had zes biertjes op en zat inderdaad achter het stuur. En het geld is ook het punt niet. Hij wil graag vertellen wat eraan vooraf is gegaan. Hij was, met zijn vriendin, een avond uit in Bussum. Zij zou rijden, hij kon dus een biertje drinken. Dat ging de hele avond goed, tot het half twee was. Toen werd mevrouw onwel. O ja, wat had ze dan, informeert de rechter belangstellend. Geen idee, ze werd helemaal slap, zakte door haar benen. Zij naar buiten om een frisse neus te halen. Hendrik belt een taxi.

En dat is het punt dat Hendrik graag te berde wil brengen. Dat is wat hij een intrieste ontwikkeling noemt. Probeer op een uitgaansavond in het Gooi maar eens een taxi te krijgen. On-mo-ge-lijk. Dus ja, nadat ze een uur hadden zitten kleumen op een muurtje voor het café, zat er nog maar één ding op. Hendrik neemt de beslissing die hem 300 euro zal gaan kosten: hij stapt in de auto.

Achteraf kan hij wel zeggen dat die beslissing niet al te onverantwoord was. Hij had maar zes biertjes op en voelde zich prima in staat om nog te rijden. Die discussie, zegt de rechter, wil ik graag direct afkappen. Het is niet aan u om te bepalen of u nog kunt rijden. Hebt u wel eens in zo’n simulator gezeten, vraagt hij. Daarin wordt de vertraging in de reactie gemeten per promillage alcohol. En ook testpersonen die zichzelf nog heel helder en alert vinden, besturen de simulator alsof het een botsautootje is.

Mee eens, akkoord, bevestigt Hendrik. Maar dat laat onverlet dat de situatie op die uitgaansavond hem dwong tot deze beslissing. Zelf was hij jarenlang uitbater van een discotheek in Bussum en hij heeft er herhaaldelijk bij de autoriteiten op aangedrongen iets te ondernemen tegen de taxibranche. Hendrik maakt melding van één grote klachtenstroom richting het taxiwezen. Gesprekken met het gemeentebestuur, de politie en de taxiondernemers zelf mochten niet baten. Een taxi bellen na middernacht, juist als de horeca uitloopt, is even zinloos als het beademen van een dode. De taxi komt namelijk niet.

De rechter hoort het allemaal vriendelijk aan. Vraagt of meneer niet beter het café in had kunnen lopen om te vragen of iemand van het personeel of een klant hen thuis kon brengen. Er was, zegt hij, vast een alternatief. Een vriend bellen. „U maakt mij niet wijs dat u geen vrienden heeft.” Geen vrienden in elk geval die hij ’s nachts kan wakker bellen, antwoordt Hendrik. Echte vrienden, zegt de rechter, zijn bereid u uit een noodsituatie te redden. Hij is wel eens gebeld door zijn eigen zoon, midden in de nacht. Die had ook wat op en kon niet meer naar huis komen. Dus, zegt de rechter, ben ik hem gaan halen. Desnoods, zegt hij, belt u de politie of anders 112. Maar zelf rijden is géén optie. Nu wordt rijden onder invloed nog bestraft met een geldboete. Maar er is wetgeving onderweg waarmee de politie direct, bij het geringste druppeltje alcohol in het bloed, de auto mag confisqueren. En dan komt er helemaal geen rechter meer aan te pas.

Hendrik krijgt het laatste woord. Hij vat nog eens de perikelen in de taxiwereld samen. En dan is de rechter weer aan de beurt. Hij aarzelt even. „Ik kan moeilijk zeggen: goed verhaal, laat de boete maar zitten.” Maar hij heeft, zegt hij, wel enig gevoel voor de noodkreet van Hendrik. Dat gevoel, zegt hij, komt tot uitdrukking in de straf. De helft van de boete (150 euro) moet Hendrik gewoon betalen. Dat is bedoeld om te voelen dat hij echt niet in de auto had mogen stappen. Het andere deel is voorwaardelijk. Dat is voor het goede verhaal.

    • Rinskje Koelewijn