Doden door probiotica 2

Sander van Deventer heeft gelijk dat de probiotica-affaire in het UMC te Utrecht veel mensen zenuwachtig heeft gemaakt (`Levend medicijn`, W&O 9 februari). Er bestaat nu onder patiënten angst voor deelname aan medisch wetenschappelijk onderzoek. Toch is dat niet nodig, als tenminste de aan elk groot onderzoek verbonden onafhankelijke veiligheidscommissies, die waken over het aantal complicaties, hun werk goed doen. Zij stellen van tevoren stopregels op. Bij tussentijdse analyse hoeft een verschil in ernstige complicaties, zoals sterfte, tussen de groepen statistisch niet significant te zijn om een onderzoek te staken. De veiligheidscommissie opent in dat geval de code van de groepen. Als de sterfte hoger ligt in de groep met de nieuwe behandeling, is de kans dat het resultaat op het eind van het onderzoek nog in het voordeel van die therapie zal uitvallen, minuscuul. Het onderhavige onderzoek (The Lancet, 14 februari) zou dan gestaakt zijn en al helemaal niet verder uitgebreid.

Het trieste is dat dit al eens eerder is voorgevallen. In 1997 waren in het grote Utrechtse SPIRIT-onderzoek bij patiënten na een kleine beroerte 17 dodelijke hersenbloedingen met stollingswerende middelen en 1 met aspirine, de gebruikelijke therapie (NRC Handelsblad 28 maart 1998). Dus beter ten halve gekeerd. Dan was er wel nog steeds meer sterfte bij het probiotica-onderzoek geweest, maar dan `gelukkig` statistisch niet significant hoger dan bij de gebruikelijke behandeling.