De verdwenen mop

Max Tailleur Foto Combi Press Service Combi Press Service

Dit is een verhaal dat destijds door Amsterdammers over Rotterdammers verteld werd, of andersom, of door Belgen over Nederlanders, of andersom. Daar wil ik van af zijn. Het gaat over een televisiekwis. Hoeveel is zeventien min negen, vraagt de kwismaster aan de kandidaat. Die slaat zich voor zijn voorhoofd en denkt diep na. Zes! Het spijt me, zegt de master. Niet goed. U ligt eruit. Het publiek roept: Geef hem nog een kans! Vooruit, zegt de kwismaster. Hoeveel is negentien min elf. Zelfde tafereel. Vijf! Jammer. Het is weer niet goed, de beurt is aan de volgende kandidaat. Het publiek: Geef hem nog één kans! De laatste dan. Hoeveel is zeven min twee. De kandidaat martelt zijn hersens af. Vijf! Het publiek: Geef hem nog een kans!

Het gaat er nu niet om of u dit leuk vindt. Het is een voorbeeld van een mop. Al op het schoolplein werd je aangeklampt door een vriendje dat je monkelend vroeg: ken je deze al? Zo ging het door de jaren heen verder. In de bezetting vroeg iemand of je wist wie Hang Kreng-hang was. Nee. Zo noemen ze Hitler in China. En in Spanje? Lopez de Zeeïn. Hahaha. En in Japan? Foetsji Moeti. Dat zijn de kortste moppen die ik ken. Je hebt er ook die een kort verhaal naderen. Onovertroffen is de geschiedenis over Johan Winkler, lang geleden hoofdredacteur van Vrij Nederland, en de neef van Tsjaikowski, zoals verzonnen door de journalist, het boosaardig genie Dick Sternheim. Dat onwaarschijnlijk verzinsel heb ik hier al eens verteld. Ik heb wel zin om het nog eens te doen, want nieuwe generaties zijn aangetreden, maar deze keer doe ik het alleen op verzoek.

Hoor jij nog weleens een mop? vroeg mijn collega Koen Kleijn. Nee. In geen jaren had iemand me een mop verteld. Cabaretiers zijn niet van de televisie af te slaan, minstens één maal per dag probeert de gemiddelde Nederlander zo leuk mogelijk uit de hoek te komen, maar de humor per overlevering, zoals die van mens tot mens wordt doorverteld en in stad en land de ronde doet, die mop is vrijwel verdwenen. We spraken er verder over, wisselden een paar oude moppen uit en ik beloofde hem dat ik er een stukje over zou schrijven. Bij deze.

Eigenlijk is het eerder een onderwerp voor een scriptie van een student in de letteren. Om te beginnen: wie verzint zo’n mop. Ergens had je toen, in de vorige eeuw, anonieme talenten die een verhaaltje met de noodzakelijke kortsluiting konden bedenken. Door de onverwachte wending aan het slot word je aan het lachen gebracht. Op de dag nadat op de Wassenaarse weg de snelheidsbegrenzing van kracht was geworden, vierde de komiek Max Tailleur zijn zeventigste verjaardag. Hij kwam met de auto uit Den Haag om in Amsterdam een voorstelling te geven. Hoe weten ze dat? vroeg hij. Overal langs de weg bordjes met Max 70. Het publiek kwam niet meer bij. Dit is de enige keer dat ik de auteur van een mop heb kunnen achterhalen.

Moppen had je in allerlei genres, schuine moppen, bijvoorbeeld over de jongeman die zo klein geschapen was, dat hij naar de dokter ging; belgenmoppen, bijvoorbeeld over de Belg die altijd een pak oude kranten in zijn auto had om lekker te kunnen scheuren; jodenmoppen waarin onveranderlijk een Moos en een Saar optraden, door Joop van Tijn als beschaafd-courant antisemitisme gedefinieerd. Alles werd doorverteld, de volgende verteller maakte het nog leuker, enzovoort, en het is dus niet uitgesloten dat de mop, terwijl hij de nationale ronde deed, tot in het onherkenbare veranderde.

Van vitaal belang was het dat je de mop begreep voor je hem verder vertelde, met de dramatische opbouw in de juiste volgorde en de goede intonatie. Er waren mensen die de structuur van een mop niet goed hadden doorzien en dan met de clou begonnen, tot groeiende verbijstering van de toehoorders. Vaak was er dan iemand die halverwege de voorstelling riep: je vertelt hem verkeerd! Dat was dan weer een mop op zichzelf. De beste vertellers met het grootste repertoire waren de handelsreizigers. Je kon een potentiële koper niet gunstiger stemmen dan hem eerst aan het lachen te maken. Waarschijnlijk zijn de handelsreizigers de belangrijkste verspreiders van de mop geweest. Het beroep is door internet in de versukkeling geraakt.

In 1972 is De Harmonie begonnen met het uitgeven van de Bescheurkalender. Iedere dag een vrolijk verhaaltje. In 1985 is de laatste verschenen. De voorraad was op, zei de directeur. En misschien waren toen ook al de vertelkunst en de ontvankelijkheid zo verzwakt dat het einde onvermijdelijk was. Alleen op de lagere school leeft de mop nog voort. Een jongetje had een mop van een klasgenoot gehoord. Hij vertelde hem thuis aan tafel. Ik begrijp hem niet, zei z’n vader. Ik ook niet, zei de zoon. Terwijl dit stukje al bijna ter perse gaat, hoor ik dat in kringen van grote mensen Joran van der Sloot de laatste tijd tot humor inspireert. Ik zal u op de hoogte houden.

    • S. Montag