De seniorenacademie

Gisteren heeft mijn goede vriend Herman Pleij afscheid genomen van de universiteit, vier dagen na zijn 65ste verjaardag. Werd het hoog tijd? Een paar maanden geleden kwam zijn imposante literatuurgeschiedenis van de 15de en 16de eeuw uit, een meesterstuk. Ook nog geen jaar oud is het eerste deel van Plaatsen van herinnering, dat hij samen met Wim Blockmans maakte. Gisteren kreeg hij het eerste exemplaar in handen van zijn studie over de drukpers in de zestiende eeuw. Nee dus, geen hoog tijd, maar iemand op de top van zijn kennis en kunnen. Toch moet hij weg. Niet dat hij zal gaan rusten. Natuurlijk blijft hij onvermoeibaar op zoek naar onbekende voor- en achtergronden van de late middeleeuwen en blijft hij ons overdonderen met verrassende invalshoeken. Maar de studenten zullen niet meer kunnen profiteren van zijn brein dat tot de nok toe gevuld is met kennis. Spelenderwijs verbindt hij nieuwe verschijnselen met oude, nationale met internationale, elementen uit de volkse cultuur met die van de elite. Vóór de collegebanken geldt leeftijd als een toegevoegde waarde. Je hebt nu eenmaal meer gelezen en meer overzicht als je zestig bent dan wanneer je dertig bent.

Herman Pleij is niet uniek. In december gaf Fik Meijer zijn afscheidscollege waarin hij de stijl van Romeinse keizers vergeleek met die van Amerikaanse presidenten. Zoiets durf je alleen bij je vertrek, niet bij je begin. En zo ken ik alleen al aan de Universiteit van Amsterdam tientallen geleerden die weliswaar met emeritaat zijn maar in niets onderdoen voor hun jongere collega’s of voor zichzelf toen ze nog niet aan de kant geschoven waren. Henk van Os, Bram de Swaan, Harm Pinkster, Hans Blom, Albert Rijksbaron, om er maar een paar te noemen.

Ik zet even een stap naar de mensen die niet voor maar ín de collegebanken zitten. Daar zie je geregeld oudere studenten die bezig zijn met een inhaalslag. Ze hadden vroeger graag door willen studeren na de middelbare school, maar om een of andere meestal praktische reden kon dit niet. Deze senioren hebben een grote behoefte aan brede kennis. Het gaat hen erom een verdiepte, gemoderniseerde cultuurkennis op te doen, die hen in staat stelt dwarsverbanden te leggen en op een eigentijdse manier deel te nemen aan het culturele leven. Soms sluiten de senioren goed aan bij een groep jonge studenten. Ik heb een groot-ondernemer in de banken gehad die de ontroering van de jongelui wist op te wekken door zijn grote liefde voor poëzie. Af en toe vroeg hij of hij een gedicht mocht voordragen dat hem net te binnen was geschoten en dat toepasselijk was. Het hele oeuvre van Achterberg kende hij van buiten. Toen het college was afgelopen nodigde hij iedereen uit voor een diner. Maar ik heb ook betweters in de banken gehad die elk betoog onderbraken als ik geen precieze datum noemde of als ik niet alle redactieleden van De Nieuwe Gids opsomde. Eenmaal heb ik een senior die de studenten ergerde met zijn voortdurende opmerkingen, aan het begin van het college vijf velletjes papier gegeven. Hij mocht, zei ik, dit college precies vijf vragen stellen, die hij van te voren moest opschrijven. De ex-leraar was buitengewoon kwaad, maar de studenten gniffelden.

Het beleid van onze Faculteit is sinds enige jaren om ouderen niet meer toe te laten bij werkcolleges, omdat ze de plaatsen van de jonge studenten innemen. Dus geen Herman Pleij specifiek over de zestiende eeuw, geen Joep Leerssen in een nationalismestudiegroep. Alleen bij hoorcolleges mogen ze wel aanschuiven bij de massa. Althans: dat geldt voor senioren die vrijblijvend, zonder naar een diploma te streven, colleges naar eigen keuze volgen. Je kunt wel kleine gedegen werkgroepen volgen, maar dan moet je je volledig inschrijven, volledig collegegeld betalen en voltijds aan het programma meedoen. Als je eigenlijk alleen geïnteresseerd bent in letterkunde, moet je ook de grammaticacolleges volgen, want dat doen de jonge studenten ook. Dit betekent dat de senioren die niet voor een diploma werken, maar slechts op ‘Bildung’ gericht zijn, veel van de beste colleges niet volgen.

Ik kom nu terug op de emeritus. Tegenover de leergierige senioren kan de groep onderwijsgevenden geplaatst worden die noodzakelijkerwijs op hun 65ste met pensioen zijn gegaan, of zelfs eerder om ruimte te maken voor verjonging in de staf. Onder hen zijn hoogleraren en docenten die er bekend om stonden op een geweldige manier colleges te geven. Uit niets blijkt dat er enige noodzaak was om te stoppen met onderwijs geven op de dag dat ze 65 werden. Veel van hen missen het onderwijs dan ook, en proberen op allerlei manieren betrokken te blijven daarbij. Ze geven nog enkele hoorcolleges in een reeks die iemand anders opgezet heeft. Ik heb advertenties gezien voor reizen waarin onze geëmeriteerde medemens ingezet wordt bij dure cruises naar Egypte, Turkije of Griekenland. Er zijn erbij die keien in hun vak zijn, de ontwikkelingen bijhouden, op allerlei manieren betrokken blijven bij de wetenschap door publicaties, congressen etcetera, maar college geven is er niet meer bij. Er is hier sprake van een enorme opeenhoping van geestelijk kapitaal dat niet rendabel gebruikt wordt. Terwijl politici, schrijvers, essayisten, architecten, musici en beeldende kunstenaars niet belemmerd worden in de voortzetting van hun werk als ze de 65 passeren, geldt dit wel voor wetenschappelijke specialisten die nota bene juist vaak brilleren als ze ouder zijn.

Zouden beide groepen senioren bij elkaar te brengen zijn? De ene groep wil onderwijs geven, de andere wil het krijgen. De studentensenioren lijken mij minder vrijblijvend te willen studeren dan ze nu doen. Ik heb de indruk dat het maar lijkt alsof ze willekeurig wat leuks uit het aanbod plukken. Integendeel: ze stellen zelf een programma samen dat er niet is, en dat bestaat uit een algemene inleiding in de Europese cultuur. Ze kiezen meestal voor vakken als inleiding in de filosofie, in de Nederlandse en Europese letterkunde, Europese letterkunde, voor geschiedenis van Europa, voor kennis van de Romeinse en Griekse oudheid, voor kunstgeschiedenis. Daar zou een mooie bachelor van samen te stellen zijn met eerst geschiedenis van die vakken, dan theoretische achtergronden en vervolgens eigen uitwerking. Een bachelor speciaal voor senioren: Algemene Europese cultuur.

Die wordt gegeven door seniordocenten die uit het reguliere onderwijs gebannen zijn. Ze geven de colleges waar ze altijd het meeste plezier aan beleefden. Allerlei bureaucratische voorschriften en regels en inmengingen van onderwijsdirecteuren en beschrijvingen van studiedoelen en evaluaties mogen ze aan hun laars lappen, als het niveau van de colleges maar hetzelfde is als dat voor reguliere studenten. De colleges geven ze als het hun uitkomt: in de herfst juist wel of juist niet, ’s ochtends of ’s avonds. Ze hoeven niet het aantal pagina’s te tellen dat ze als huiswerk opgeven, want de seniorenstudenten lezen toch wel. Ik krijg er als ik het zo opschrijf al zin in. Moet alleen nog kiezen of ik die bachelor wil geven of juist volgen. Als Herman Pleij meedoet, ga ik volgen.

    • Marita Mathijsen