De renovatie van onhoudbare ziektekosten

De AWBZ is een van de duurste collectieve verzekeringen geworden. De huidige situatie is niet langer houdbaar. Maar hoe kan het anders?

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gaat op de schop. Een werkgroep van de Sociaal-Economische Raad gaat het kabinet adviseren over de toekomst van deze volksverzekering voor langdurige zorg. De werkgroep wil de regeling niet opheffen, maar wel de aard ervan grondig veranderen.

Burgers die hulp nodig hebben, moeten kunnen kiezen voor een ‘rugzakje’ met geld om zelf zorg te kopen. Nu al kunnen zij kiezen voor een persoonsgebonden budget, maar dat is een subsidie die elk moment kan worden gestopt.

Als de overheid de financiering van de AWBZ-zorg verschuift van instellingen naar burgers, wordt de zorgverlening volgens de SER- werkgroep veel klantvriendelijker. Zorgverleners die de wensen van cliënten negeren, zien klant én rugzakje naar de concurrent verdwijnen. Klanten die hun eigen zorg niet kunnen of willen organiseren, mogen dat overlaten aan een zorgverzekeraar.

De AWBZ is een ingewikkelde en politiek zeer gevoelig kwestie. Ook de SER-werkgroep worstelt ermee. Volgens staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid, PvdA) vertoont de AWBZ „fundamentele tekortkomingen”. De huidige vorm is „onhoudbaar”. Burgers, zorgverleners noch verzekeraars worden geprikkeld om voor goede én kostenbewuste zorg te kiezen. Er is een ondoorzichtige bureaucratie rond de uitvoering ontstaan, waardoor gebruikers nauwelijks zorg op maat krijgen.

Omdat de AWBZ volgens de SER-werkgroep een verzekering moet blijven, zou er altijd een instantie moeten zijn die vorm geeft aan de zorgplicht. Het idee is dat commerciële verzekeraars de verzekering voor langdurige zorg voor hun eigen verzekerden gaan uitvoeren. Als die verzekeraar zich onvoldoende voor zijn klant inzet, stapt deze op. Nu krijgen instellingen een vast budget, waar geen stimulans van uit gaat om goed te presteren.

Voor de particuliere basis- en aanvullende zorgverzekering hebben de verzekeraars die verantwoordelijkheid al in 2006 gekregen. Maar krijgen deze commerciële zorgverzekeraars straks ook de zeggenschap over de ouderenzorg? Dat zou betekenen dat zij over die zorg risico gaan dragen en dus ook exact de prijzen van de vele zorgvormen moeten kennen. Daar zeggen ze zelf nog flink wat (proef)tijd voor nodig te hebben.

Werknemersleden in de SER- werkgroep willen ouderenzorg niet aan de markt overlaten. Zij vrezen dat verzekeraars bij de inkoop van de ouderenzorg zuinigheid boven kwaliteit stellen. Volgens ingewijden wordt nu gedacht aan een stelsel waarbij niet de hele ouderenzorg op de vrije markt komt, maar een deel – en pas als aan strikte voorwaarden is voldaan. Dit is vergelijkbaar met de zorg in ziekenhuizen, die nu voor 20 procent van hun behandelingen vrije prijzen hanteren.

Binnen de werkgroep die zich onder leiding van oud-staatssecretaris Margo Vliegenthart over de AWBZ buigt, bestaat overeenstemming over het vergroten van de zelfbeschikking van hulpbehoevenden. Cliënten, of hun mentoren, die geen gebruik willen maken van een rugzakje, kunnen een zorgverzekeraar inschakelen. Verzekeraars zullen hun best moeten doen om klanten te binden. Zij zouden bovendien een belangrijke rol kunnen spelen in het stimuleren van goede ketenzorg. Een oudere krijgt meestal eerst een klein gebrek, maar het aantal klachten neemt vaak toe. De verschillende zorgverleners die hulp geven zouden idealiter allemaal, als schakels in een keten, op elkaar moeten zijn ingespeeld.

Een cliëntvolgende financiering is een rigoureuze breuk met het verleden. Vroeger werden instellingen per bed betaald, ongeacht de kwaliteit van de zorg of het aantal patiënten. Inmiddels wordt een regime geïntroduceerd waarbij de mate waarin cliënten zorg behoeven bepaalt hoeveel geld de verzorger krijgt.

Maar het geld gaat nog steeds van het zorgkantoor naar de instelling, en daar heeft de cliënt bitter weinig over te vertellen. Met zijn eigen ‘rugzakje’ kan hij straks bepalen bij wie hij wat voor zorg inkoopt. Zo kunnen cliënten – desgewenst via zorgverzekeraars – zorginstellingen aansporen rekening te houden met hun persoonlijke wensen. Zorgaanbieders zien steeds meer heil in dit model. Goede zorg trekt klanten en die brengen geld mee. Nu de overheid nog hun budget vaststelt, leidt dat bij een groeiende vraag tot geldnood en cliëntenstops.

Dat een advies van de SER op zich wachten laat, komt mede door de grote belangen. In deze volksverzekering ging vorig jaar 22 miljard euro om, waarvan tweederde voor ouderenzorg. De rest is voor langdurige geestelijke gezondheidszorg en voor gehandicapten. In totaal maken 850.000 mensen gebruik van de AWBZ. De thuiszorg drijft op de volksverzekering, net als vele honderden verpleeg- en verzorgingsinstellingen, waarin enkele honderdduizenden mensen hun brood verdienen.

Voor veel Nederlanders is de AWBZ een abstractie op hun loonstrook. Maar wel een dure. Wie inkomen heeft, betaalt ervoor – 12,15 procent over de eerste twee belastingschijven. Iedereen met een belastbaar inkomen hoger dan 31.589 euro betaalt daarvan 3.838 euro AWBZ-premie. Vorig jaar was het nog 100 euro minder. Die stijging is een constante. Sommigen voorzien dat de premie oploopt tot 20 procent. Zij wijzen op de naderende vergrijzingsgolf.

De SER-werkgroep vindt ook dat de aanspraken op de AWBZ glashelder moeten zijn. Nu zijn voorwaarden voor vergoeding soms zo vaag dat half Nederland er een beroep op kan doen, zeggen ambtenaren. Overeenstemming is er ook over kortdurende zorg. Iemand die na een heupoperatie thuis herstelt, zou de hulp daarbij uit de basisverzekering vergoed moeten krijgen. Voor dergelijke, op genezing gerichte zorg was de AWBZ nooit bedoeld.

Eensgezindheid bestaat er verder over de ondersteunende en activerende begeleiding van mensen. Daaronder valt de hulp aan ouderen bij het invullen van formulieren, of de huiswerkbegeleiding van autistische jongeren. Voor zover die hulp niet aan een behandeling gekoppeld is, maar op participatie is gericht, moet die betaald worden uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, vindt de werkgroep. Daarvoor zijn gemeenten verantwoordelijk.

Tot slot de scheiding van wonen en zorg. Nu betaalt de AWBZ ook het verblijf in een instelling. Maar als we ons hele leven huur of hypotheek hebben betaald, is dat verblijf dan onverzekerbare zorg? De gemeenschap zou alleen moeten betalen voor de zorg die deze tehuizen leveren, lijkt nu de heersende opvatting.