‘De eerste tijd was ons gezinsleven geweldig’

Wies en Jos Beijers: „We hebben een periode het gevoel gehad dat we als ouders hebben gefaald.” Foto Chris Keulen Nederland, Reuver, 27/02/2008 Wies en Jos Beijers. Adopteerden drie Columbiaanse kinderen en hebben daar veel problemen mee gehad. Sarten dit jaar een herberg voor mensen met een geheugenprobleem. foto: Chris Keulen Het verhaal van... Wies en Jos Beijers adopteerden drie kinderen uit Colombia. Tien jaar geleden zagen ze hen voor het laatst. „We hebben er vrede mee gekregen.” Keulen, Chris

‘We hebben geen contact meer met onze kinderen: drie broertjes die we halverwege de jaren tachtig uit Colombia adopteerden. Soms horen we via-via nog weleens iets over ze en een paar jaar geleden kwam de middelste ook opeens weer langs. Maar het gaat altijd mis. Daarom houden we het af. Uit zelfbescherming. Altijd als het goed lijkt te gaan, gaat het opeens toch weer fout. En dan begint de misère. Dan ken je ze niet meer terug. Dan is niets meer goed. Die teleurstellingen en stress willen we niet meer.

We hebben altijd kinderen gewild. Maar dan wel graag geadopteerde kinderen. Er worden zoveel kansarme kinderen geboren, waarom zou je dan zelf kinderen krijgen? Wij wilden juist die kinderen een goed leven bieden. Het maakte ons niet uit waar het kind vandaan zou komen. En een broertje of zusje was ook welkom. Als het maar niet heel erg lang zou gaan duren. Via de vereniging Wereldkinderen kwamen we in contact met een bemiddelingsbureau dat adopties uit Colombia regelde. Het bureau stond goed bekend, werd door vrijwilligers gerund en was daarom ook een stuk goedkoper dan andere bemiddelingsbureaus. Niet dat dat argument het belangrijkste was, maar het speelde wel mee in onze keuze.

Het duurde bijna vier jaar voor we een aanbod kregen: drie Colombiaanse broertjes. Toen we ze een half jaar later ophaalden, waren ze vier, vijf en zes jaar oud. We vertrokken naar Colombia terwijl we geen woord Spaans spraken en nog nooit in Zuid-Amerika waren geweest. Het bureau had een Spaanstalige advocate voor ons geregeld en daarmee moesten we het doen. Achteraf vonden we dat alles tamelijk vreemd verliep. We kregen de jongens overhandigd alsof het om een pakje boter ging. Maar op dat moment realiseerden we ons dat helemaal niet. We waren heel blij toen we na zestien dagen konden vertrekken met onze drie zonen. We waren kapot. De kinderen niet. Zij pasten zich heel makkelijk aan. De oudste, eigenlijk een kleine volwassene, regelde alles en zijn broertjes volgden hem klakkeloos.

In Nederland moesten we erg aan elkaar wennen. We liepen op onze tenen. Van een lege woning hadden we opeens een huis waarin drie kinderen woonden die heel erg uitgelaten waren. Je kreeg het gevoel dat ze ieder moment in de gordijnen konden gaan hangen. Ze waren heel enthousiast en wilden met iedereen spelen. Alsof ze met een enorme inhaalslag bezig waren. Ook hadden ze last van verlatingsangst. Als we vijf minuten uit zicht waren, raakten ze helemaal in paniek.

Vanaf dag één noemden ze ons al papa en mama. Dat vonden we toen prachtig. Maar eigenlijk was dat heel vreemd. Heel geforceerd. Gevoelsmatig zijn wij voor hun nooit hun ouders geweest. En wij voelden ons vanaf dag één niet meteen hun ouders. Dat kwam pas later. Dat gevoel moest groeien. Zoiets is er niet van het ene op het andere moment. Daar moet je aan wennen. Maar zij waren consequent. Wij waren hun vader en moeder. Meteen.

De eerste tijd was ons nieuwe gezinsleven geweldig. We hadden heel veel lol met elkaar. Hun eerste sneeuw, het eerste Sinterklaasfeest, Carnaval; dat waren geweldige ervaringen. Maar al vrij snel kregen wij het gevoel dat er met de oudste iets aan de hand was. Alleen konden we het geen naam geven. Hij kon zijn jongere broertjes enorm treiteren en ook lichamelijk pijn doen. Als hij gewaarschuwd werd en als straf uiteindelijk op de gang werd gezet, gilde hij alsof hij werd afgeslacht. Dan trok hij aan zijn haren en begon hij te stampen en gooide hij met alle spullen. Hij flipte helemaal. Vijf minuten later kon hij doen alsof er niets gebeurd was. Als je dat later ter sprake bracht, werd hij erg kwaad. Hij wilde nooit iets uitpraten.

Binnen een jaar zaten we met hem bij het Riagg, want ook op school werd duidelijk dat hij vreemd gedrag vertoonde. Maar hij kon zo goed toneelspelen en manipuleren dat de eerste therapeut zei dat er niets met hem aan de hand was. Toch wilden wij opvoedingsondersteuning, maar we werden keer op keer met een kluitje in het riet gestuurd. De hulpverleners konden ons niet helpen. Wij kregen het gevoel dat ze er helemaal niets van begrepen, ondertussen deden ze wel alsof ze alwetend waren en wij het allemaal verkeerd zagen. En als het misging, gaven ze niet thuis.

Toen de oudste in de puberteit kwam, escaleerde het helemaal. Hij loog structureel, was gewelddadig en kwam afspraken niet na. Hij ging met verkeerde vrienden om en liep opeens met een wapen op straat. Hij zocht de grenzen op en werd daar steeds extremer in. Op een gegeven moment ging het niet meer en toen is hij tijdelijk opgenomen in een instelling voor moeilijk opvoedbare jongens. Dat gaf rust. Rust in ons huis, rust in ons gezin.

Het was de stilte voor de storm. Zijn twee jongere broertjes kwamen ook in de puberteit en gingen hun grote broer achterna. Nog geen jaar later werden ook zij uit huis geplaatst. Toen Wies werd geslagen en met een mes werd bedreigd en de middelste met twee stoelpoten voor Jos stond, hebben we de knoop doorgehakt en ze uit huis laten plaatsen. Het ging simpelweg niet meer. Thuis was het alleen maar ellende. Je werd er ziek van. Constant trammelant, met wie dan ook. Was het niet de oudste, dan was het wel de jongste en anders was het wel de middelste die rottigheid had uitgehaald. Het was afschuwelijk.

Dan stond de politie weer aan de deur, dan belde de hulpverlening en dan de school. We bleven in een cirkel rond hobbelen. Heel frustrerend. We realiseerden ons op een gegeven moment dat we één probleem konden oplossen, maar dat er morgen weer een ander probleem zou zijn. Het hielp niet meer. Het was water naar de zee dragen. En we dreigden er zelf aan onder door te gaan, en onze relatie ook.

We moesten er een punt achter zetten, onze grenzen waren ruim overschreden. Dat was niet makkelijk. We hebben een periode het gevoel gehad dat we als ouders hebben gefaald. We waren heel verdrietig. Zo hadden we het niet bedacht toen we naar Colombia vertrokken. We wilden deze drie jongetjes helpen. Een kans geven. Maar hoeveel energie we er ook in staken, dat lukte ons niet. Wij dachten dat als we een goede portie liefde, aandacht en geborgenheid zouden geven, dat het dan allemaal wel goed zou komen. Maar dat was niet zo.

En we waren boos. Boos op alle hulpverleners die ons maar lieten zwemmen. Kwaad omdat zij helemaal niets wisten en ook niet te weten wílden komen, over de problemen die geadopteerde kinderen kunnen hebben. Pas na een jaar of zeven aanmodderen, kwamen we de eerste orthopedagoog tegen die constateerde dat onze jongens een hechtingsstoornis hebben. En dat dat nooit over zou gaan. Dat we het moesten beschouwen als een handicap.

We zijn ons gaan verdiepen en toen werd ons pas duidelijk wat er met de jongens aan de hand was. Tot die tijd hadden we het altijd bij onszelf gezocht. Gedacht dat wij dingen verkeerd deden. Wij zijn natuurlijk ook niet perfect. Langzamerhand werd duidelijk dat onze jongens een stoornis hebben en daardoor altijd de schuld aan anderen zullen geven, nooit aan zichzelf. Ook zullen ze nooit affiniteit hebben met anderen. Dat willen ze niet, en dat kunnen ze ook niet. Zij leven in hun eigen wereld en de verantwoordelijkheid ligt bij iemand anders.

De twee jongsten, die toen nog maar 13 en 14 waren, kregen problemen in het opvanghuis waar zij terecht kwamen en moesten vertrekken. Omdat er nergens anders plek was, stonden ze op straat. Ze vonden onderdak bij een drugsverslaafde. De twee stonden onder toezicht van een gezinsvoogd en die liet dat allemaal maar gebeuren. We hebben ze weleens ’s ochtends vroeg bij het buurthuis gezien. Rillend van de kou. Dan gaat er van alles door je heen. En je kunt niets doen, want ze willen niets met je te maken hebben.

Het is nu zo’n tien jaar geleden dat we afscheid van ze hebben genomen. En inmiddels kunnen we er redelijk afstandelijk over praten. Tijd heelt. We hebben er vrede mee gekregen. Als die jongens in Colombia waren gebleven, hadden ze het nog slechter gehad. Wij hebben ze in ieder geval kind kunnen laten zijn en ze hebben geluk geproefd. Misschien klinkt dat allemaal niet zo bijzonder als je het vergelijkt met biologische kinderen, maar kinderen met een hechtingsstoornis leven altijd aan de rand van de samenleving. Die van ons ook, zij het gelukkig net aan de goeie kant. Ze zijn niet afgegleden. Ze kunnen zich handhaven. Dat hebben wij dan toch nog bereikt. We hebben er dus geen spijt van. Maar het was een harde leerschool.”

Marloes Elings

    • Marloes Elings