Aan de telefoon in ‘Caracal’

Muziektheater De Caracal van Judith Herzberg en Motti Averbuch (tekst), Roderik de Man (muziek) en Frans Weisz (regie). Gezien: 26/2 Theater Bellevue, Amsterdam. Herh.: 27/2, 29/2 en 1/3 Amsterdam, 24/5 Den Haag, 24/10 Groningen, 25/10 Utrecht. Info: www.theaterbellevue.nl

De telefoon heeft een kleine, maar interessante geschiedenis in het muziektheater. In de monoloog La Voix Humaine (1959) van Francis Poulenc, op tekst van Jean Cocteau, probeert een vrouw het laatste telefoongesprek met haar ex ontroerend lang te rekken. In Amerika had Gian Carlo Menotti succes met het humoristische The Telephone (1947). Hierin wil een man zijn lief ten huwelijk vragen, maar is zij steeds maar aan het bellen. Uiteindelijk loopt hij de deur uit naar een telefooncel, draait haar nummer en krijgt zo alsnog het jawoord. In deze reeks is er nu ook De Caracal. Deze monoloog van Judith Herzberg en Motti Averbuch werd in 1988 al uitgevoerd door actrice Marjon Brandsma, maar is nu op initiatief van fluitiste Abbie de Quant van muziek voorzien door componist Roderik de Man.

Herzberg en Averbuch voegden aan het thema ‘geliefden en telefoons’ een ‘Wachten op Godot’-achtig element toe: in De Caracal wacht een vrouw op het verlossende telefoontje van de man op wie ze een jaar geleden verliefd werd. Hij was getrouwd, zij gaf hem een jaar de tijd om al dan niet bij zijn vrouw weg te gaan en voor haar te kiezen. Terwijl ze vurig hoopt dat hij zal bellen, houdt ze constant de lijn bezet met andere gesprekken, waarvan we steeds alleen haar helft horen.

De alt Helena Rasker, die af en toe prachtig zingt, praat honend en zalvend tegen vriendinnen, kappers en hijgers. Ze manipuleert wellustig, maar in essentie is ze onzeker. De tekst is ijzersterk, vol ontroerende en humoristische momenten, maar juist in die breekbare façade weet Rasker te overtuigen. De muziek van De Man stelt daarentegen over het geheel teleur, met veel van dezelfde, keurige grillen op fluit, accordeon en (bas)klarinet.

    • Jochem Valkenburg