4x BERLIJN

Berlijn is metropool en provincieplaats tegelijk. Vier tips voor een verrassende dag uit in dé trendstad van Europa.

Berlijn, zo leert ons het net verschenen statistische jaarboek 2007 van de Duitse hoofdstad heeft een totaaloppervlakte van 892 vierkante kilometer. Eind 2006 woonden er 3.404.037 miljoen mensen, ongeveer evenveel als honderd jaar geleden.

Een grote stad dus; een metropool zou je kunnen zeggen. En toch is Berlijn een beet-je provinciaals gebleven. Een stad in het groen, zonder industrie en rokende schoorstenen. Een stad die abrupt begint en net zo plotseling weer eindigt. Een stenen karbonkel in de vrijwel lege mark Brandenburg.

Het aardige van Berlijn is dat je op sommige plekken nog kunt zien dat het een aaneenschakeling is van dorpen en stadjes. Met hier en daar groenstroken ertussen. Parken natuurlijk, maar ook ‘Laubenkolonien’, zoals volkstuintjescomplexen in het Duits heten. Je treft ze aan tot in het centrum toe.

Op een paar honderd meter afstand van de chique Kurfürstendamm bijvoorbeeld, aan de Württembergische Strasse, wordt op grond die kapitalen waard is groente en fruit verbouwd en staan gammele hutjes met plastic tuinstoelen ervoor. Amateur-tuinders bevolken dit sympathieke landje, dat overigens door makelaars en bouwers wordt bedreigd. Het contrast met de stad, even verderop, kan niet groter zijn.

Dat is Berlijn: metropool en provincieplaats, ‘een stad die geen gegroeide hiërarchie kent en zich ook door nieuwkomers betrekkelijk gemakkelijk laat koloniseren’, zoals de Duitse regisseur Florian Henckel von Donnersmarck (Das Leben der Anderen) laatst zei.

Berlijn is de trendstad van Europa; een cult- en cultuurmetropool. Maar niet alleen wegens het Museuminsel, de Brandenburger Tor of de latte macchiato die je overal kunt krijgen. Er is meer dat de moeite waard is.

Berlijn 1: Fietsen

Een van de betere fietstochten die je in de hoofdstad kunt maken is een route tussen Frohnau en Hennigsdorf, in het noordwesten van Berlijn. Je rijdt langs stille plekken waar de Muur heeft gestaan. Daar is niets meer van te zien, op enkele veelzeggende details na. Hier en daar hebben bewoners het onverwoestbare stalen grenshek uit de DDR opnieuw in gebruik genomen. Maar nu voor een vreedzamer doel: als afscheiding in hun tuin. In de buurt van Nieder Neuendorf, pal langs de route, staat een van de weinige wachttorens die hier uit die tijd van de Koude Oorlog nog over zijn. De toren is nu museum, het kleinste van Berlijn.

Twee zwijgzame vrouwen laten de gasten binnen. Dit monument wordt weinig bezocht. Het toont op indringende wijze hoe de Duitsers nog maar twee decennia geleden van elkaar gescheiden werden gehouden. Met de grofst denkbare geweldsmiddelen.

De fietsroute voert ook langs een attractie die niet iedereen te zien krijgt tijdens een driedaags bezoek aan Berlijn: ‘Dicke Marie’. Deze eik, aan de rand van het Tegeler Forst, is waarschijnlijk met 900 jaar de oudste boom van Berlijn. Marie heeft een hoogte van 26 meter en een omvang op borsthoogte van 6,65 meter. Ze is knoestig en karaktervol, maar oogt niet erg imposant. Ze zou een goedmoedige heks op leeftijd kunnen zijn.

Berlijn 2: Kijken

Voor Museum Berggruen staan nooit rijen. Het is een verborgen parel tegenover het Berlijnse slot Charlottenburg aan de Spandauer Damm, hoek Schlossstrasse. In twee uur tijd heb je de mooiste collectie Picasso’s, Klee’s en Matisse’s van Duitsland gezien.

Heinz Berggruen (1914-2007) was een joodse kunstverzamelaar, mecenas en galeriehouder. Hij werd geboren in Berlijn, vluchtte voor de oorlog naar New York en leefde lang in Parijs. Berggruen was bevriend met Picasso. Aan het eind van zijn leven keerde hij terug naar zijn geboortestad met een collectie van meer dan honderd meesterwerken. Geschatte waarde: minstens 750 miljoen euro. Voor de vriendenprijs van 126 miljoen verkocht hij zijn doeken aan de Stichting Pruisisch Cultuurbezit.

Nu hangt al dat moois in Berggruens eigen museum. Vlak na de ingang loop je meteen de Matisse-zaal in. Indrukwekkend is de verzameling Picasso’s. Soms moet je jezelf knijpen: hangt dit écht allemaal hier? De bekende ‘Zittende Harlekijn’ uit 1905 en ‘Het Karig Maal’, een aangrijpende ets uit 1904. Ja, ze hangen hier. Curieus is een vrouwenportret in zand uit 1923. Menigeen wil zien hoe dit schilderij is gemaakt, buigt zich te ver voorover en zet het alarm in werking. Enkele tientallen werken van Paul Klee en tot slot een kleine maar mooie verzameling sculpturen van Alberto Giacometti maken dat er heel veel – maar niet te veel – te kijken valt in Berggruens verbluffende museum.

Berlijn 3: Zeilen

Nog vijftien seconden en dan is de start. Veertig Noorse Volksboten liggen bij windkracht vier op een lange lijn tussen de oevers van de Havel in Berlijn. Wij zijn goed weg als het startschot klinkt. Met tien zeiljachtjes maken we een slag over stuurboord; de rest vaart over de bakboordboeg verder. Zeilen in Berlijn, dat is een nieuwe ervaring. Sinds afgelopen voorjaar woon en werk ik hier als buitenlandcorrespondent. Voor de hobby en de sociale contacten heb ik mijn zeilboot meegenomen. We zijn lid geworden van ‘Segler Club Gothia’ aan de Unterhavel. Zeilen doen we op de Havel en de Wannsee. Het water is schoon en diep. Het zit vol vis en als je geluk hebt kun je visarenden op hun prooi zien stoten.

Er zijn prachtige tochten te maken, ook met huurzeilboten. Langs de Schildhorn en de beboste oevers van Grunewald richting Pfaueninsel, waar je inderdaad de pauwen hoort krijsen. Je kunt met staande mast doorvaren tot de Glienicker Brücke, de brug waar ooit Oost en West hun spionnen ruilden. Daarna ga je terug naar de Scharfe Lanke of de Wannsee.

Beladen naam, Wannsee. De villa met uitzicht op het water staat er nog steeds. Het Haus der Wannsee-Konferenz is een museum geworden. Aan dit meer, in deze villa, namen de nazi’s in januari 1942 het formele besluit om de joden van Europa naar het oosten te deporteren en daar te vermoorden. Al heb je hier nog zo’n mooie boot, en is het zeilen nog zo fijn, dit gruwelijke feit draagt de Wannsee voor altijd met zich mee. Schuldig water.

Berlijn 4: Drinken

‘Mijn whisky is een beetje lauw. Precies goed. IJs erin is voor de barbaren.’‘De wijn die ze hier schenken is ook niet verkeerd. Ik proef drop.’‘Aha. Maar jij houdt toch niet van drop.’ We zitten in de Kirk Bar in Kreuzberg, Skalitzer Strasse 75. Het is een betrekkelijk nieuw etablissement in Berlijn, waarvan gezegd werd dat je hier in een ontspannen atmosfeer een goed glas whisky kunt drinken. Inspectie ter plekke leert dat dat inderdaad zo is.

De bar is genoemd naar zijn eigenaar, die Kirk heet. Er is een bar met krukken, er staan wat houten tafeltjes en in een zijkamer staan luie banken. In de hoek brandt knetterend een haard. Daar gaan we zitten. Het is er lekker warm. We hebben nog net uitzicht op de U1, de metrolijn van de Warschauer- naar de Uhland Strasse vice versa, die hier op een oud luchtspoor rijdt.

De muziek is rustig, piano – het kan Satie zijn. Kirk heeft een platenspeler naast de wijnglazen staan, plus een metertje LP’s. De barman schenkt drank, draait platen en gooit af en toe een blok op het vuur. Alles in een rustig tempo.

‘Wil jij nog een dropje?’ ‘Een dropje? Een drupje, bedoel je.’ ‘Ik bedoel eigenlijk je dropwijn. Laten we hier maar blijven tot dat stuk hout is opgebrand.’