Wij schrijvers zijn allen criminelen

Wie ‘Felix Krull’ ten volle wil waarderen, moet oog hebben voor Thomas Manns idee dat iedere kunstenaar in essentie een verdachte figuur is.

Het dikke boek dat Thomas Mann aan Felix Krull wijdde, was nog maar ‘der Memoiren erster Teil’. Wie, zoals Mann deed in het geval van Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull, een boek na 45 jaar met dezelfde melodie en toonhoogte voortzet waar hij het heeft laten liggen, die onthult (naast een drang tot grootse architectuur) de hardnekkigheid en discipline van een soldaat. Iemand heeft trouwens al eens opgemerkt, dat Mann er en face uitzag als een Pruisische generaal, terwijl hij van opzij, met zijn fabelachtige neus, het gezicht van een clown had. Dit zijn vrij precies de twee aspecten van Mann: de ironische ernst – of misschien toch eerder: de dodelijk ernstige ironie.

Zag hij er uit als een generaal en een clown, men kan er aan toevoegen dat hij er ook uitzag als een misdadiger. Vooral de foto’s van omstreeks zijn vijftigste jaar tonen ons het slechte gezicht van een opgetogen lustmoordenaar. Een buitengewoon boeiend gezicht….

En daarmee zijn we aangeland bij Felix Krull: de tot vermommingen geneigde zoon van een verlopen wijnfabrikant; de kunstenaar als oplichter; hoteldief, verleider en kelner, die ’s avonds als heer uitgaat; die op een twijfelachtige overeenkomst met een verliefde markies ingaat en onder diens naam door de wereld reist, liefderijke brieven schrijvend aan zijn vader die zijn vader niet is.

Deze conceptie van de kunstenaar (op de achtergrond ervan staat Nietzsche, de getransformeerde hoofdpersoon van Manns eerdere roman Doktor Faustus) is kenmerkend voor Mann, en waarschijnlijk is zij het eigendom van iedere kunstenaar. We zijn allemaal verdachte criminelen, zeer gezocht om voorgeleid te worden en door toenemende regeringsbemoeiing steeds meer in het oog gehouden. Men moet maar eens met een onbevooroordeeld oog de portrettengalerij in een of andere literaire uitgave bekijken. Wie er niet uitziet als een boef, is met grote zekerheid een knoeier. En wie zal ontkennen dat dictators en tirannen hun loopbaan met kunstenaarsaspiraties beginnen?

Men moet het boek beslist uit deze hoek lezen, wil men het ten volle waarderen. Men moet daarom ook niet te veel ‘echte’ oplichterijen verwachten: Krulls belangrijkste oplichterij bestaat uit wat hij is. Voor de liefhebber van Mann die zijn ‘langdradigheid’ als onmisbaar stijlelement weet te waarderen, is er verder nog genoeg te halen. De 80-jarige raisonneurtoon die dit zelfingenomen jongmens aanslaat, het vertoog over de prehistorie, het ontroerende zelfportret in de Schotse ‘Lord Kilmarnock van Nectanhall’, de barbaarse taalanachronismen, de onbedaarlijke verleidingsscène, de militaire keuring in het fragment dat al in 1908 werd geschreven – allemaal grandioze, zelden of nooit vertoonde meesterstukken van doortrapte ironie en misdadige intelligentie.

Het is een raar geval met Thomas Mann. Met iedereen die 80 jaar wordt en levend mee blijft doen op een centrale plaats is het een raar geval. Met zijn voeten op het hoofd van Goethe stak hij uit de diepte van de 19de eeuw zijn arm te voorschijn en hield nog in 1955 zijn vinger in de pap van onze tijd. En wat hij bouwde was een Chinese muur, een ontzaglijke borstwering, waarbij hij ongekend geraffineerde en feilloze procédés ontwikkelde, die ons leerden wat metselen is. Hij stak zijn hoofd niet jammerend in het zand.

Dit proces van afsluiting – door de taal, de intelligentie, de ironie – vormt Manns oeuvre. Het is er tegelijk de kracht en de zwakheid van. De ongehoorde gebieden en verschrikkingen, die in deze eeuw meer en meer zichtbaar worden – ze waren hem een gevaar, en in zijn herculische pogingen om ze af te sluiten, hermetisch af te sluiten, namen zijn romans naar vorm en inhoud mythische dimensies aan.

Zijn werk is heldhaftig. Wij mochten niet van hem verlangen, dat hij zich met een geweer en een fototoestel de woestenij in waagde. Bij Goethe vandaan had hij nog de mogelijkheden van de Chinese muur, en iedereen moet aan zijn mogelijkheden gehoorzamen. Wij missen die mogelijkheden. Wij moeten kiezen tussen weerloos sterven ter plaatse, of op goed geluk op reis gaan zonder kompas en zonder te weten of ons gesternte goed is of kwaad – ja zonder gesternte.

Achter zijn Chinese muur, waarover hij ieder ogenblik radeloos maar ook gebiologeerd naar buiten keek, ging het de grote grijsaard om de cultuur, om de humaniteit, om het fijnste soort vermaak – wij juichen hem vanuit de verte nog toe, maar zijn al bijna achter de horizon.

De aloude tegenstelling ‘kunstenaar (respectievelijk misdadiger) – burger’ is in Krull weer aan de orde. ‘Opgelost’, onherkenbaar ineengewrongen gold hetzelfde voor Faustus: de geniale kunstenaar, de misdadiger, nu tevens de Duitse burger vertegenwoordigend, in complot met de duivel, geslachtsziekten en krankzinnigheid – met alles minder dan ‘cultuur’ dus. Nauwkeuriger: hier bleken de achtergronden van de cultuur.

Het is de Europese geschiedenis sedert Van der Lubbe.

Dit artikel verscheen eerder in het Parool (24.12.55). Het volledige stuk staat op www.nrc.nl/boeken. Volgende week: Margot Dijkgraaf over ‘Alexis & Het genadeschot’ van Marguerite Yourcenar.

Dit is de vijfde en laatste aflevering in de discussie over ‘Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull’ van Thomas Mann. Discussieer mee via www.nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt.

PROGRAMMA: Een man wordt ouder (Italo Svevo, januari) - Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull (Thomas Mann, februari)- Alexis / Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) - Huwelijksverhalen (August Strindberg, april) - Pnin (Vladimir Nabokov, mei)