Wat dat betreft zijn het allemaal jokkebrokken

Als de gereformeerde minister van Sociale Zaken zich in een politieke situatie gedwongen ziet de waarheid geweld aan te doen, verdubbelt onmiddellijk het aantal keren dat hij in één volzin de stoplap ‘wat dat betreft’ bezigt. Dat gaat denk ik vanzelf. Liegen in het aanschijn des Heren is natuurlijk een zonde. De één begint in zo’n geval te stotteren, een ander wordt tot diep in hals en nek vuurrood, de katholiek (die immers met aflaatgeld is grootgebracht) doet een extra euro in de collectezak, en bij Donner schiet het toerental van zijn lievelingscliché omhoog. Hij hoopt dat God het opmerkt, en goedertieren als Hij soms kan zijn glimlachend bij Zichzelf denkt: Piet Hein staat daar, hij kan niet anders, Ik zal hem helpen.

Is het taalgebruik van jokkende politici eigenlijk al weleens aan een diepgaand onderzoek onderworpen?

Je hebt in de jaren dertig en veertig George Orwell gehad, die pionierswerk heeft verricht, maar die volgens mij het begrip jokkende politici van meet af aan een pleonasme vond omdat ze in die branche zelden schoten waar ze mikten. Vanwege dat vooroordeel zijn deelstudies misschien nooit goed van de grond gekomen.

Voorbeelden van politieke newspeak zijn in alle landen en talen natuurlijk ook na Orwell opgevallen, gegispt, belachelijk gemaakt, gehekeld, en vanzelf weer verdwenen. Ze kunnen een paar maanden in de mode blijven, en misschien een paar jaar, maar ze behoren tot wat je zou kunnen noemen het gewone, algemene, periodieke taalbederf dat aan het politieke handwerk noodlottigerwijs verbonden schijnt te zijn. Ook als ze geen enkele reden hebben om te liegen, hoor je ministers en parlementsleden bijna uitsluitend in kaalgeslagen, versteend en fossiel Nederlands spreken, waarbij vergeleken de gemiddelde straattaal klinkt als zuivere, levende poëzie. Zelfs wanneer ze op het Binnenhof iets nieuws geïntroduceerd denken te hebben – wat bijna altijd op verbale aanstellerij neerkomt – is de vondst al binnen een of twee zittingsweken zo dood als een pier geworden.

Neem aangeven, het werkwoord dat ze sinds kort allemaal gebruiken als ze zeggen of schrijven bedoelen.

Ik gunde mezelf gistermiddag via www.politiek24.nl een inkijkje in de Tweede Kamer, waar Donner in een spoeddebat uitleg moest geven over een interview waarin hij de versoepeling van het ontslagrecht onvermijdelijk had genoemd.

Fascinerend schouwspel. Ik geloof niet dat ik in een paar uur tijd een klein groepje mensen ooit zo flagrant heb horen liegen en draaien. Schaamteloos was het woord niet eens, want je zag aan de woordvoerders van de coalitiepartijen dat ze hetzij hakkelden, hetzij bloosden, hetzij een aflaateuro zochten, hetzij per halve zin vijf keer ‘wat dat betreft’ invoegden, dus ze wisten dat ze zondigden. Maar ze vonden blijkbaar stuk voor stuk dat ze niet anders konden, dat ze alleen door te liegen Balkende IV konden redden.

En intussen dus om de haverklap aangiftes. Nooit: ‘Ik heb het net gezegd’.Altijd: ‘Zoals ik zojuist heb aangegeven’.

Dood als een pier, zei ik. Maar dat ze het blijven zeggen (zoals ze op hoge toon ook nog steeds ‘Het kan niet zo zijn!’, of ‘Ik wil nu een helder antwoord!’, of ‘Van tweeën één!’ roepen) is misschien een aanwijzing voor wie zich in parlementaire leugentaal wil verdiepen.

Aangeven is het perfecte rookgordijn voor sprekers en schrijvers die bij elk woord dat ze zeggen of hebben opgeschreven, na de tekst, na het interview en na de uitspraak, de ontsnappingsroute open willen houden om in het spoeddebat heelhuids weg te komen.

Zou Orwell dan toch gelijk hebben gehad met de veronderstelling dat politici per definitie leugenbrokken zijn?

Dat heb ik nooit durven denken. Maar met www.politiek24.nl op m’n scherm begon ik ernstig te twijfelen.

Lees eerdere columns van Jan Blokker via nrcnext.nl/blokker