Te luide diplomatie

De interventies om een nog ongeziene film ongezien te houden bereiken een climax. Woensdag hebben de ministers Hirsch Ballin (Justitie, CDA) en Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) de producent en parlementariër Wilders (PVV) in een gesprek onder zes ogen gewaarschuwd voor de mogelijke juridische, diplomatieke, economische en zelfs gewelddadige gevolgen van zijn film over de Koran. Gisteren ging minister Verhagen op de televisie een stap verder en riep de PVV’ er op af te zien van uitzending van zijn film.

Volgens Wilders is dit „pure intimidatie”. Hij liet Verhagen weten dat hij „de pot op kan”. Dat laatste wekt geen verbazing. De politicus, die zich ook als scheppende cineast wil uiten, houdt er nu eenmaal een povere poëtica op na. Voor hem zijn politieke verantwoordelijkheid en individuele expressie bovendien identiek. In die zin staat hij in de traditie van het politieke radicalisme. Dat zijn rolprent consequenties kan hebben voor andere burgers die part noch deel hebben aan zijn creatie, interesseert hem dus niet.

Dat zegt iets over de politicus Wilders. Want het is niet ondenkbaar dat de gevolgen van zijn film zich niet beperken tot bijvoorbeeld een economische boycot door islamitische landen. Ze kunnen ook uitmonden in fysiek geweld en mogelijk dodelijke slachtoffers: bijvoorbeeld onder de Nederlandse militairen in Uruzgan, tegen wie de Talibaan al een extra offensief hebben aangekondigd, en onder Nederlandse diplomaten of andere Nederlanders die zich in de islamitische wereld verdienstelijk maken.

Dat het kabinet zich daarover zorgen maakt, is begrijpelijk. De bemoeienis met de aangekondigde film is op zichzelf ook oorbaar. Hirsch Ballin en Verhagen zijn binnen de grenzen gebleven van artikel 7 van de Grondwet, waarin de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd „behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet”. Ze zijn zorgvuldiger geweest dan vicepremier Rouvout (ChristenUnie), die de publieke omroep opriep om de film Deep Throat niet uit te zenden. En ze zijn zeker niet zo ver gegaan als minister Van den Broek (CDA) van Buitenlandse Zaken, die in 1987 ‘live’ in de uitzending een sketch van Rudi Carrell over Khomeiny op de VARA-televisie wist te voorkomen.

Maar er zijn wel kanttekeningen te plaatsen bij de interventies van het kabinet. Het staat buiten kijf dat de regering zich verantwoordelijk moet voelen voor de consequenties van de film die de PVV’er in petto zegt te hebben. Zeker als er mensenlevens in het geding kunnen zijn. Het is dan ook verstandig dat de overheid niet afwacht tot het uur U waarop ze zelf ook kennis kan nemen van inhoud en vorm van Wilders’ creatie. Dan zou het immers te laat kunnen zijn.

Dat neemt niet weg dat de regering zich wel wat terughoudender had kunnen opstellen. Vaak beroept een minister van Buitenlandse Zaken zich op de effectiviteit van ‘stille diplomatie’ . Nu heeft hij luidkeelse politiek bedreven. Daarmee wordt Wilders hoe dan ook niet op andere gedachten gebracht en heeft met name Verhagen dat doel dus niet bereikt.