Ster in Japan

De Nederlandse jazz valt in de smaak in Japan. De platenwinkels liggen er vol mee, Trijntje Oosterhuis en Room Eleven spelen voor uitverkochte zalen. „I love you Janne!” AMANDA KUYPER

Burt Bacharach en Trijntje Oosterhuis treden op in Tokio foto’s Andreas Terlaak Trijntje Oosterhuis en Burt Bacharach samen live in het Tokyo International Forum op 16-02-2008. Trijntje zong 2 nummers mee op uitnodiging van de grote composnist Bacharac. Foto: Andreas Terlaak Terlaak, Andreas

Op platenjacht in Tokio: van Japanse electropunkbands, het absurdistische Shibusashirazu Orchestra, tieneridool Kumami tot de alom vertegenwoordigde popzangeres Utada Hikaru. Ze glimmen je toe, vereeuwigd in glanzend bordkarton. Maar in de grootste muziekwinkels van Tokio, HMV en Tower Records, in de bedrijvige, hippe winkelwijk Shibuya, hebben zowel de afdelingen pop als jazz een prominente uitstalling met Nederlands oeuvre.

Er is veel keuze: cd’s, voorzien van handgeschreven aanprijskaarten met Japanse karakters, van vocalisten Trijntje Oosterhuis (‘Traincha’), Wouter Hamel, Fleurine, Laura Fygi en Greetje Kauffeld. Jazzmusici als Jesse van Ruller en pianist Peter Beets en ook groepen als de New Cool Collective en Room Eleven zijn te beluisteren in luisterpalen of liggen klaar als aanbieding van de week.

Big in Japan – wat een verleidelijk idee om op handen te worden gedragen in deze onbekende Aziatische wereld. Saxofonisten Candy Dulfer en vader Hans kennen er al jaren de gang van zaken: de grote gastvrije ontvangst, de ongekende hoffelijkheid en voorkomendheid en het ingetogen publiek dat muziek en artiest aanbidt en zich vervolgens verlegen, voorzichtig laat gaan in zijn vervoering.

De bekende Nederlandse improvisatiejazz floreert in Japan, evenals de lichtere popachtige variant ervan. Muziekclubs in Tokio heetten het afgelopen jaar veel artiesten welkom: Jesse van Ruller met pianist Bert van den Brink, zangeres Laura Fygi (begin 2008), avant-gardedrummer Han Bennink. Een paar weken terug had crooner Wouter Hamel (‘Woetaa Hemmel’), recente winnaar van de Zilveren Harp, succes met acht concerten. Zijn hitje Breezy is opgenomen in het liedjesbestand van de landelijke, immens populaire karaokemachines. Een enorme eer in Japan. Omdat westerse cd’s in Japan soms een aangepast, wat gelikter uiterlijk krijgen – de naam en cd-titel worden in het Japans toegevoegd, evenals een beschrijving van het soort muziek en informatie over de artiest – ligt Hamel gefotoshopt in de Japanse winkels. Japanners houden niet van borsthaar.

Zangeres Trijntje Oosterhuis

en de jazzpopgroep Room Eleven traden afgelopen week, toevallig tegelijkertijd, voor optredens in Japan. Oosterhuis maakte voor het eerst op eigen titel – ze was er eerder als zangeres in de band van Candy Dulfer – kennis met de Japanse muziekcultuur. Op uitnodiging van de vermaarde Amerikaanse componist Burt Bacharach kreeg ze een gastrol in zijn Japanse tournee langs Tokio, Sagamiohno en Osaka. Het was al bijzonder om een invitatie te krijgen om op te treden met de kwieke, bijna tachtigjarige Bacharach, die er met het Tokyo Newcity Orchestra speelt. Oosterhuis, wier album Who’ll Speak For Love – Burt Bacharach Songbook II diezelfde week in Japan uitkwam, zag het als een uitgelezen kans haar nieuwe cd te promoten én meteen een eigen concertreeks in april aan te kondigen.

Vooraf aan haar eerste Japanse concert met Bacharach tref ik haar in haar kleedkamer. Gekleed in een fuchsiaroze jurk, de armen in de zij, wandelt ze door de kamer en neemt haar stemoefeningen door. Ze is er al ver buiten te horen. „Ik heb gisteravond nog met Burt in zijn suite zitten sleutelen aan een arrangement. Dat stond voor mij in een te hoge toonsoort. Hopelijk komt het er nu goed uit.” Ze spreekt over hem met genegenheid: „Burt is erg begaan met me. Hij is zich op zijn leeftijd nog zeer goed bewust van de lange weg die een artiest in een vreemd land moet afleggen.”

Met ruim vierduizend stoelen is Hal A in de Tokyo International Forum Hall een ronduit zakelijke maar imposante zaal. De concertavond ‘An Evening with Burt Bacharach and the Tokyo Newcity Orchestra’ begint al om zes uur. Een curieus gezicht: veel mensen in de zaal dragen witte mondkapjes. Niet tegen smog, zoals verondersteld, maar uit hygiëne. De Japanner probeert zo de overdracht van bacillen te voorkomen.

De muziek van Traincha, nu nog van cd, klinkt al. De stemmen zijn gedempt. Niemand haalt het hier in in zijn hoofd te bellen of te zwaaien naar een bekende boven op het balkon. Ook meezingen is voor de gemiddelde Japanse bezoeker een wat genante, ongemakkelijke vertoning, zou Burt Bacharach later merken. Zijn aansporing bij evergreen Raindrops Are Fallin on My Head leidt tot weinig meer dan zacht gehum. Dat lijkt opmerkelijk in het land van de karaoke – maar de kunst van het meezingen wordt vooral in klein gezelschap beoefend.

Bacharachs show heeft allure, maar verzandt op den duur een beetje, na lange medleys met oude hits en recenter repertoire van zijn laatste album At This Time. De middelmatige stemmen van de achtergrondzangeressen geven de liedjes weinig extra’s mee.

Dan is het tijd voor de Nederlandse bijdrage. „Ik heb een bijzondere verrassing voor u”, zegt de in smoking gestoken Bacharach. „Ze is een grote ster in Holland en heeft twee albums opgenomen met mijn muziek. Haar stem past goed bij mijn werk: Traincha!” De zangeres komt uit de coulissen en zet meteen laag in voor het delicate Falling Out of Love en daarna Who’ll Speak for Love, het beminnelijke stuk dat Bacharach vorig jaar speciaal voor haar componeerde. Meteen na haar nummers omhelst Bacharach de Nederlandse. „Perfect, perfect”, fluistert hij. „You nailed it.” En ook in de catacomben bij de kleedkamers zijn de felicitaties niet van de lucht.

Het Japanse publiek is vergeleken bij Nederlandse concertbezoekers stil en geconcentreerd, het ontzag voor artiesten is groot. Dat kan wel eens verkeerd worden opgevat door westerse musici die zich zorgen maken of hun muziek wel gewaardeerd wordt. „Hun uitingsvorm is anders”, merkt Trijntje Oosterhuis op, „maar er is zo veel respect. Ze hebben veel over voor mooie muziek en zijn erg nieuwsgierig naar muziek van de andere kant van de wereld.” Dat constateert ze ook een dag later wanneer ze met behulp van een tolk interviews geeft aan tal van muziekbladen en langs gaat bij radiostation Yokohama FM als gast in het nachtprogramma A Jazzy Night. Oosterhuis: „Ik buig, knik en bedank vooral. De journalisten hier zijn erg complimenteus.”

Eerst wil de breedlachende radio-presentator Gonzalez Suzuki van haar weten of het Japanse eten veel overeenkomsten vertoond met Hollands eten. Daarna wordt hij serieuzer: waarin verschilt Japans van Nederlands publiek, hoe is Burt Bacharach en wat is de belangrijkste les die hij haar meegaf. „Van Burt moet je een song persoonlijkheid geven”, zegt de zangeres. De presentator grijnst en bromt geïnteresseerd mee met alle antwoorden.

EMI Japan, dat het platenlabel Blue Note van de zangeres vertegenwoordigt, ziet en hoort Traincha voor het eerst live zingen. Ze maakt indruk bij de delegatie. „Hoewel het overgrote deel van het publiek voor Bacharach kwam, vond men haar goed. Zowel haar stem en haar verschijning spraken aan. Haar ogen zijn opvallend”, stelt Yoshimitsu Harashima, hoofd artist and repertoire Jazz & Classics van EMI, vast.

Oosterhuis’ cd’s met haar oude band Total Touch kwamen ooit uit in Japan, haar latere eigen popalbums niet. De platen die ze nu voor het prestigieuze Blue Note maakt komen automatisch uit in Azië. Ze verkocht een paar duizend albums. Van het nieuwe album, Bacharach II, verwacht Yoshimitsu Harashima meer. „Het is sterker, ze voelt Bacharachs muziek beter aan.” Daarom is Traincha nu prioriteit bij de jazzafdeling en wordt er ‘gemikt op een hitsong’. Vermoedelijk de titelsong Who’ll Speak For Love. „De promotieafdeling gaat inzetten op tie-ups, muziek ingesloten door reclames van het album. Ook in Japan lopen de verkoopaantallen terug als gevolg van internetdownloads. Grote Amerikaanse namen verkopen hier nu ook matig. Met Traincha’s aantallen zijn we best tevreden.”

De hausse aan jazzgeoriënteerde Nederlandse bands dat zijn land bezoekt was Yoshimitsu Harashima nog niet opgevallen, maar het verbaast hem niet. „De nieuwe hedendaagse jazz van jonge muzikanten uit Amerika is progressief en erg innovatief. Dat is voor veel Japanners moeilijke muziek, die niet goed begrepen wordt. In plaats daarvan stellen ze zich graag open voor Europese lichte jazz die over het algemeen toegankelijker is.”

Collega Hiroshi Itsuno heeft daar een uitgesproken idee over. Hij is directeur van het Japanse jazzlabel 55 Records en onderhoudt een warme band met Nederlandse jazzmusici. „Japan omarmt de Nederlandse jazz, maar het interesseert Japanners niet bijzonder dat de muziek uit Nederland komt”, zegt hij. „Wat telt is dat de muziek uit Europa komt. Dat vinden ze exotisch klinken. De Japanner onderscheidt jazz uit Amerika, jazz uit Europa en muziek uit Japan, gekopieerd naar internationale jazz maar tegenwoordig gestoeld op Japanse volksmuziek.”

Itsuno was eerst werkzaam bij de jazzafdeling van Universal Music, maar begon in 2004 een eigen label toen hij op z’n 55ste van zijn bedrijf een stap terug moest doen. Sinds 1999 heeft hij nauwe contacten met Nederlandse jazzlabels over pianist Michiel Borstlap, saxofoniste Tineke Postma, zangeres Fleurine en gitarist Jesse van Ruller die dankzij Itsuno in Japan als idool wordt onthaald. In juni brengt hij opnames uit van het Jazz Orchestra of the Concertgebouw, dat in oktober ook in Japan gaat optreden.

Om het bewustzijn van de Japanner

te vergroten helpt de Nederlandse ambassade in Tokio een handje. De Nederlandse jazz krijgt prioriteit in het culturele pakket. De ambassade heeft contact met de Dutch Jazz Connection, de organisatie die voor Nederlandse jazzmusici internationale speelmogelijkheden bevordert. „Japan is dol op muziek, we hebben een grote jazzcommunity”, stelt cultureel attaché Nene Takagishi. „Wij hebben gemerkt dat het zinnetje ‘supported by Embassy of the Kingdom of the Netherlands’ onder een concertaankondiging een wervende uitwerking heeft. Daar vallen Japanners voor. Het staat prestigieus en het wekt vertrouwen.” Vandaar dat veel musici een samenwerking zoeken met de ambassade, voor financiële dan wel promotionele steun.

Niet voor niets is Takagishi bij een van de concerten in Tokio van Room Eleven. Ze valt als een blok voor zangeres Janne Schra. De blondine is in haar jurkje met rood-wit-blauwe stippen het vleesgeworden Hollandse kaasmeisje. Op het podium van The Cotton Club, een intieme muziekclub met een brede pop, jazz en soulprogrammering charmeert ze het publiek aan een stuk door. Haar stem is zuiver en duidelijk meer ontwikkeld sinds het debuut twee jaar geleden. Haar wat theatrale podiumpresentatie ligt tussen verleiding en argeloosheid. „Wie heeft onze cd?”, vraagt ze. Tientallen vingers. „Oh wauw, dank je. Wat grappig. Ik bedoel, ...het is zo ver weg.”

Room Eleven, met naast zang, gitaar, bas, piano/accordeon en drums, wandelt sinds het debuutalbum Six White Russians and a Pink Pussycat, met zevenmijlslaarzen rond in de Nederlandse muziekscene. Hun zomerse niets-aan-de-hand-muziek, waarin stijlen als jazz, folk, pop en bossanova samenkomen, is fris en aandoenlijk, met een lome jazz timing. Het nieuwe Mmm…Gumbo? is opgenomen in New York.

Daar werd contact gelegd met jazzclub Blue Note. Die programmeert ook zijn Japanse dependance, Blue Note. Omdat Room Eleven geen jazzstempel wil krijgen werd besloten dat de groep zou optreden in de aan Blue Note gelieerde Cotton Club.

Terwijl het publiek dineert onder het licht van twee grote kroonluchters met Swarovsky kristallen geeft het vijftal uit Amsterdam/Utrecht twee shows op een avond. Op verzoek van de club, die de muzikanten van alles voorziet, van asbak, gitaarstandaard tot grote schotels Japans eten, kleedt Schra zich voor het tweede concert weer om. Ze heeft Japanse beleefdheden op een papiertje geschreven. „Watashi wa Oranda jin-des (Ik kom uit Nederland)”, probeert ze. Een glimlach in de zaal.

Eén Japanse bezoekster, die al vanaf het eerst alles meezong, kan zich niet meer inhouden. „I love you Janne”, schreeuwt ze. „De Japanner voelt zich pas sinds een paar jaar vrij om zich te uiten door te klappen”, lacht Nene Takagishi van de ambassade. „De houding is duidelijk losser geworden. Maar dit soort luidruchtige uitingen zijn geen correct gedrag.”

Bijna alle shows zijn uitverkocht en de cd’s worden massaal verkocht. In grote rijen stelt het publiek zich giechelend op voor handtekeningen en foto’s. Een Japanse koopt meteen drie albums. „Room Eleven, cute and sexy show.”

Trijntje Oosterhuis, 30 en 31/5 Carré Amsterdam. CD Room Eleven: Mmmm…Gumbo? (Universal Music) verschijnt 14 maart.