Overwicht in de ruimte

Hollywood is, ruim dertig jaar na de eerste Star Warsfilm, wel zo’n beetje uitgekeken op de kosmische vergezichten van de ruimte. Maar de producers in het Pentagon beginnen de smaak pas goed te pakken te krijgen. Vijfentwintig jaar nadat Ronald Reagan zijn plan lanceerde voor een raketschild in de ruimte, hebben de Verenigde Staten laten zien dat aan de militarisering van het buitenaardse niet meer valt te ontkomen.

Er stonden flinke golven toen het Amerikaanse marineschip Lake Erie vorige week in de Grote Oceaan met één welgemikte raket een defecte Amerikaanse spionagesatelliet kapotschoot. Volgens Washington was de operatie nodig om te voorkomen dat de brandstoftank van de haperende kunstmaan, met 500 liter van het tamelijk giftige hydrazine, op aarde terecht zou komen.

Maar aan dat motief werd alom getwijfeld. Deskundigen wezen erop dat het risico dat de brandstoftank ongeschonden op aarde terecht zou komen, en gevaar voor mensen zou opleveren, wel heel erg klein was. China en Rusland beschuldigden de Amerikanen ervan een wapenwedloop in de ruimte los te maken: het neerhalen van de afgedankte satelliet zou eigenlijk een test zijn van een nieuw antisatellietwapen of van het omstreden raketschild.

En uit onverdachte hoek kwam er bijval voor die gedachte: de hoofdredacteur van het conservatieve Amerikaanse blad National Review, Rich Lowry, schreef opgetogen dat de geslaagde uitschakeling van de spionagesatelliet „een definitief keerpunt” was in het debat over het raketschild. Dat debat hoeft nu niet meer te gaan over de technische haalbaarheid van het schild, schreef hij, maar alleen nog over de ethische wenselijkheid.

Want ook al is het neerhalen van een satelliet ter grootte van een schoolbus, na maandenlange voorbereidingen, niet hetzelfde als het uitschakelen van een onverwachts naderende kernraket, een sterk staaltje was het evengoed. „Het is een geruststellende gedachte dat we werken aan een verdediging tegen bedreigingen die ernstiger zijn dan een tank hydrazine”, aldus Lowry.

Dat betekent niet dat er nu ook zicht is op het realiseren van de droom van Reagan. Zijn Strategic Defense Iniative (SDI), destijds meestal aangeduid als Star Wars, had een in de ruimte gestationeerd systeem moeten worden. Amerika zou zich daarmee voorgoed kunnen beveiligen tegen de dreiging van kernraketten, was het idee. De afgelopen decennia is er zo’n honderd miljard dollar besteed aan verschillende varianten van dat plan, maar het heeft tot voor kort niet veel meer opgeleverd dan politieke onrust – laat staan een betrouwbaar afweersysteem.

Het raketschild waar nu aan wordt gewerkt is heel wat bescheidener van opzet, al was het maar omdat het gestationeerd wordt op land en op zee. Maar daar staat tegenover dat het schild een extra functie kan krijgen. De raket die vorige week de defecte satelliet neerhaalde, maakte deel uit van het raketschild in aanbouw (al moest er wel een aanpassing van het projectiel aan te pas komen).

Wie het zich nog niet realiseerde werd er door de Amerikaanse actie nog eens op gewezen dat satellieten onder schot genomen kunnen worden. En dat is een belangrijk feit in een wereld die steeds afhankelijker wordt van satellieten. Geen enkele grootmacht kan zich het risico veroorloven dat zijn satellietennetwerk door een vijand wordt uitgeschakeld. Niet alleen zouden onze tomtoms uitvallen, er zou een chaos ontstaan op internet en in de telefonie en er zou allerlei militaire technologie verlamd raken, binnen enkele uren zou het hele financiële en maatschappelijke verkeer wel eens knarsend kunnen vastlopen.

Dat pijnlijke besef van kwetsbaarheid drong al eerder tot de wereld door. China bewees januari vorig jaar in staat te zijn een eigen satelliet neer te halen – dus, besefte men in Washington met schrik, waarom niet ook een van een ander land?

De regering-Bush had in 2006 al in haar Nationale Ruimtebeleid vastgelegd dat haar belangen in de ruimte evenveel bescherming verdienen als het nationale grondgebied. Want de enorme politieke en militaire betekenis van satellieten staat buiten kijf. „Suprematie in de ruimte is onze visie voor de toekomst”, had de Amerikaanse generaal die verantwoordelijk was voor het ruimteprogramma een jaar eerder al gezegd.

Van een wapenwedloop ín de ruimte is daarmee nog geen sprake. Het recente Chinees-Russische voorstel voor een verdrag tegen wapens in de ruimte is dan ook geen antwoord op deze ontwikkeling.

Wat zich wél begint af te tekenen is dat op aarde een klassieke situatie van wederzijdse afschrikking ontstaat, zij het anders dan ten tijde van de Koude Oorlog niet gericht op hele landen, bevolkingen en politieke blokken, maar op die cruciale instrumenten van economische en politieke macht die om de aardbol cirkelen. Wie aan mijn satellieten komt, wordt met gelijke munt terugbetaald. Dat is minder dramatisch dan het schrikbeeld van de ‘wederzijds gegarandeerde vernietiging’, waarmee de twee kernmachten elkaar in de Koude Oorlog in de houdgreep hielden. Het is eerder het perspectief van een ‘wederzijds gegarandeerde verlamming’.

Zover is het nog niet. Landen die wel satellieten hebben, maar niet de technologie om andermans satellieten onder schot te nemen, hebben reden tot nervositeit. In de Koude Oorlog hielpen uitwisseling van informatie en andere vertrouwenwekkende maatregelen tussen de twee blokken om de spanningen te beperken. De veiligheid op aarde zou erbij gediend zijn als de grootmachten zouden besluiten tot een vergelijkbaar soort aanpak voor de ruimte.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad.