Onheilsprofeet of karikaturale doemdenker?

Roger Scruton: Culture Counts. Faith and Feeling in a World Besieged. Encounter Books, 118 blz. € 20,30

Roger Scruton: Culture Counts. Faith and Feeling in a World Besieged. Encounter Books, 118 blz. € 20,30

Onheilsprofeten kunnen een nuttige functie hebben. Ze waarschuwen dat het volk van het rechte pad afdwaalt, of houden de elite bij de les door rampspoed aan te kondigen. Het gevaar dat ze daarbij lopen, is dat ze zo sterk overdrijven dat een soms puntige diagnose ten ondergaat in gezwollen retoriek. Als dat gebeurt, verandert de onheilsprofeet in een karikaturale doemdenker, die zich vooral wentelt in het eigen gelijk. Aan de andere kant, als ze níet overdrijven maar de nuance zoeken, luistert er misschien niemand. Ook in Nederland laveren de laatste jaren allerlei verontruste cultuurcritici moeizaam tussen die klippen van groteske overdrijving en nuchtere huis- tuin- en keukenwaarheden.

Hoe scoort op dat punt de Britse filosoof en publicist Roger Scruton, sinds enkele jaren ook beroemd in Nederland?

Scruton, getraind als analytisch filosoof maar al vanaf de jaren tachtig vooral bekend als conservatieve criticus, heeft een stapeltje boeken op zijn naam gebracht waarin de egalitaire en vulgaire moderne cultuur op de korrel wordt genomen. Respect voor gezag, traditie en objectieve waarden is volgens hem ten prooi gevallen aan een wijdverbreide cultus van ‘afwijzing’, gekenmerkt door relativisme, nivellering en nihilisme. Beschermers van de westerse high culture moeten in die duisternis het vuur van de beschaving brandend houden.

In Culture Counts herhaalt hij die diagnose nog maar eens, maar toch is dit elegant geschreven essay de moeite waard. Dat komt voor een deel omdat Scruton een lucide – en standsbewuste – invulling geeft aan het begrip ‘cultuur’: voor hem betekent dat hogere beschaving en Bildung, en niet domweg alles wat een groep mensen toevallig verbindt. Daarnaast zullen de meeste lezers van harte zijn lijstje van kwalen in de moderne samenleving onderschrijven: de achteruitgang van het onderwijs, de dwangmatige verstrooiing van de popcultuur, de nonchalante nadruk op zelfontplooiing.

Als remedie beveelt Scruton de hernieuwde scholing aan van elites in alles wat de westerse hoge cultuur te bieden heeft. Hij put hoop uit de herwaardering van tonale muziek, figuratieve schilderkunst en andere tekenen van restauratie. In een eerder boek beval hij de Britten aan niet meer op vakantie te gaan buiten de eigen landsgrenzen, maar zover gaat hij hier niet.

Scrutons toon is nog steeds aan de overspannen kant, maar dat doet aan de leesbaarheid van dit essay weinig af. Ernstiger is dat zijn conservatieve premisse dat de westerse cultuur in verval of zelfs op sterven na dood is, door hem nergens serieus wordt onderbouwd. Is het eigenlijk wel waar dat relativisme en postmodernisme de hele samenleving in hun greep hebben? De moderne cultuur valt niet samen met de stomste soap op televisie. Scrutons ideaalbeeld van de westerse cultuur blijft doortrokken van quasi-elitaire kitsch, en miskent nu juist een wezenlijk kenmerk van die cultuur: haar vermogen tot vernieuwing en dynamiek.