Ondiep wilde liever alcoholisten opvangen

In Den Bosch lukte het niet een verslaafdenopvang te realiseren in een woonwijk. In Utrecht lukte dat wel. „Je vraagt iets van een buurt, maar het kán wel.”

Het is maar hóe je het vraagt.

Als je het netjes doet, willen buurten best verslaafden of daklozen opvangen, zegt hoogleraar actief burgerschap Evelien Tonkens van de Universiteit van Amsterdam. Een meerderheid van de mensen zegt doorgaans dat ze ‘liever niet’ een opvanghuis voor daklozen in hun omgeving hebben. Veel minder mensen, een kwart, antwoorden dat ze er tégen zijn dat zo’n opvanghuis in de buurt van hun huis komt. Maar Nimby gedrag (not in my backyard) komt minder voor dan je wellicht zou denken, zegt Tonkens.

In Den Bosch was dat anders. Daar brandde vorige week een beoogd opvanghuis voor verslaafden af in de wijk Kruiskamp. Brandstichting door omwonenden werd gesuggereerd, al werd daar geen bewijs voor gevonden. Burgemeester Rombouts had eerder in het Brabants Dagblad gezegd dat mensen „nooit zoiets willen in hun wijk.” De suggestie was: je kunt het maar beter ook niet aan ze voorleggen. Na een raadsdebat kondigde hij en de betrokken wethouder aan voortaan beter te zullen overleggen met omwonenden over opvanghuizen.

Dat is precies wat Utrecht heeft gedaan; overleggen met bewoners. Daar zijn sinds eind jaren negentig acht opvanghuizen opgezet, de meeste midden in woonwijken. Er komt er nog één, in Vinex-locatie Leidsche Rijn, en dan zijn er 180 opvangplaatsen (bedden én dagopvang). De commotie in de buurten was aanvankelijk groot, maar inmiddels steunt 80 tot 85 procent van de omwonenden de hostels. „Je vraagt wel iets van een buurt”, zegt de Utrechtse wethouder Cees van Eijk (Welzijn, GroenLinks), „maar het kán wel”.

Hoe deed Utrecht het? De gemeente bepaalde dat elke wijk één hostel moest accepteren, maar verder mochten buurtbewoners over alles meepraten. Bijvoorbeeld over geschikte gebouwen voor de opvang in de wijk. De buurt Ondiep wilde liever geen drugsverslaafden, maar wel alcoholisten opvangen. Die problematiek was voor de buurt „herkenbaarder”, zegt Van Eijk. „Overigens blijkt dat misschien nog wel een lastiger op te vangen groep dan drugsverslaafden.”

Samen met buurtbewoners en politie legde de gemeente voor elke buurt afspraken vast. Bijvoorbeeld dat de politie binnen 24 uur moest reageren op een melding van overlast. En buurtbewoners en politieagenten trokken samen de buurten in. Waar is het onveilig, en moet de verlichting beter? Van Eijk: „Het was geven en nemen, het fietspad werd ook vernieuwd als bleek dat dat moest gebeuren.”

Hoogleraar Tonkens zegt dat dat belangrijk is. „Je kunt iets terugdoen voor een buurt. In de Rivierenbuurt in Amsterdam zit een verslaafdenopvang, naast een kinderopvangcentrum. Daar worden verslaafden ingezet bij het opruimen van de buurt. Maar ook parkjes en groenstroken kunnen worden aangepakt.” Dan moet je de buurt vervolgens wel laten weten dat het door de verslaafden komt dat het armoedige groen er mooier uit gaat zien.

In de buurten in Utrecht werd ook een ‘nulmeting’ gehouden. Hoe veilig en schoon is het voor de komst van het opvanghuis, en hoe is dat daarna? Volgens Van Eijk is de veiligheid rond de opvanghuizen niet afgenomen. Het draagvlak onder de omwonenden is wel toegenomen.

Ingrid Snelleman die pal naast de opvang aan de Wittevrouwensingel woont, vindt dat de gemeente Utrecht zorgvuldig heeft gehandeld. Vooral ouders met jonge kinderen waren aanvankelijk bang voor confrontaties met verslaafden, herinnert ze zich. Vlak naast het hostel ligt het Griftpark, waar kinderen spelen en naar de kinderboerderij gaan. Maar de overlast valt volgens Snelleman erg mee. „Ik herinner me dat een keer is gedeald op straat, en dat een verslaafde bedelde in de buurt. Maar na meldingen daarvan is meteen ingegrepen.” Snelleman vindt dat dit soort opvang er moet zijn. „Ik zie de verslaafden elke dag, maar ik heb er geen last van.”

Hoe het níet moet bleek volgens Tonkens bij huisvesting voor Amsterdamse studenten in containers. Daar waren, zonder daarover de studenten te informeren, ook jonge verstandelijk gehandicapten geplaatst. Ze veroorzaakten veel geluidsoverlast en één van hen draaide door, dreigde met een mes. De studenten voelden zich machteloos. Tonkens: „Ze moesten maar de politie bellen, en afwachten. Soms heeft de politie andere prioriteiten.” Inmiddels is een coördinator 24 per dag aanspreekbaar voor de studenten. „Het scheelt ontzettend als je iets kunt ondernemen tegen overlast.”

Zelf heeft Tonkens een „nogal lage tolerantiegrens” als ze babygehuil hoort. „Juist omdat je daar helemaal niets tegen kunt ondernemen.” Overigens bleken de studenten, eenmaal geïnformeerd, heel bereid om het project te steunen, zegt Tonkens. Maar ze vonden de gehorige containerwoningen daarvoor minder geschikt.

Het punt is, concludeert Tonkens, dat bestuurders ervan uitgaan dat hun plannen goed zijn en dat bewoners daar alleen uit eigenbelang op tegen zijn. „Maar er kunnen heel redelijke bezwaren zijn.”