Observator met een precieze woordkeus

Op zijn 54-ste debuteerde hij als dichter. Jan Eijkelboom was anti-orthodox, lichtvoetig en had oog voor de natuur.

„Ik lees ze en ik bewonder de regels, maar het is me vreemd geworden.” Twee weken geleden sprak Jan Eijkelboom, die woensdag in Dordrecht overleed, op de radio over zijn eigen poëzie. Poëzie die hij nog wel kon lezen, maar niet meer kon schrijven sinds een zware epileptische aanval vorig jaar. „Ik ga ervan uit dat het niet meer terugkomt.”

Een van de gedichten die hij voorlas was Tuin museum Dordrecht uit zijn debuutbundel Wat blijft komt nooit terug. Het begint met de regels: „Als ik gestorven ben/ zal in de tuin van dit museum/ boven het warrig bladerengedruis/ een merel net zo helder zingen/ op net zo’n late voorjaarsdag.// En ik, ik zal er niet meer zijn/ om door dit zingen te vergeten/ dat ik moet sterven mettertijd.”

Het gedicht is exemplarisch voor het dichterschap van Jan Eijkelboom, met de rustige, observerende toon, de aandacht voor de natuur en de precieze woordkeus. Het maakte Eijkelboom bij het verschijnen van die bundel dadelijk een veel geprezen en gelezen dichter. Een bij wie de vergankelijkheid nooit ver weg was, maar die ook lichtvoetiger, klassieke regels schreef als „O, dat ik ooit nog eens/ een vers met o beginnen mocht” en (over Koning Alcohol) „Ik drink me elke dag weer dood/ en sta als Lazarus weer op”.

„Een gedicht moet muziek zijn en het moet beeldend zijn”, zei Eijkelboom enkele jaren geleden in een interview met deze krant. Hij omschreef zijn gedichten als ‘anti-orthodox’, wat veel te maken had met het streng protestantse milieu waarin hij op 1 maart 1926 werd geboren. Poëzie was voor hem „een late roeping”. Die roeping was er niet minder sterk om. Al snel wijdde de 54-jarige debutant zich voltijds aan de poëzie. Het leverde een tiental bundels (Een olifant met geheugenverlies uit 2005 was de laatste), verschillende prijzen (Anna Blamanprijs, Jan Campertprijs en de Herman Gorterprijs) en gelauwerde vertalingen op van onder anderen Philip Larkin, John Donne, W.B. Yeats en Derek Walcott.

Voor hij dichter werd, werkte Eijkelboom in de journalistiek, onder meer bij Vrij Nederland, Het Vrije Volk en De Dordtenaar. Als negentienjarige soldaat nam hij deel aan de politionele acties in Indonesië. Hij schreef erover in het literaire tijdschrift Libertinage in 1953, maar zou er vervolgens over zwijgen, tot hij in 2001 de verhalenbundel Het krijgsbedrijf publiceerde „Ik heb geen spijt van de deelname aan de acties”, zei hij toen, „maar ik ben er ook niet trots op.”

In zijn studietijd (Engels en politicologie in Amsterdam) schreef hij onder meer voor Propria cures en in 1957 was hij een van de eerste redacteuren van Tirade.

Eijkelboom woonde vrijwel zijn hele leven in Dordrecht, de stad waar hij ook werkte als voorlichter en waar hij in 2001 tot stadsdichter werd benoemd – de eerste in Nederland. In 2004 eindigde hij als dertiende bij de verkiezing van ‘de grootste Drechtstedeling’. Bij zijn tachtigste verjaardag in 2006 werd hij door de stad uitgebreid geëerd, eerder was al de titel van zijn eerste bundel Wat blijft komt nooit meer terug’ er in een kademuur aan de Merwede gegraveerd.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Jan Eijkelboom

In de necrologie over dichter Jan Eijkelboom (29 februari, pagina 9) staat dat hij bij zijn benoeming tot stadsdichter van Dordrecht in 2001 de eerste Nederlandse stadsdichter was. In 1993 was Emma Crebolder al stadsdichter van Venlo.