Naschoolse opvang – geweldig idee, gebrekkig uitgevoerd

Scholen moeten sinds een half jaar naschoolse opvang regelen. Dat veroorzaakte een revolutie. Maar of het goede opvang is, „daarover is niet nagedacht.”

Het afgelopen half jaar heeft zich een revolutie voltrokken. De revolutie van de naschoolse opvang.

Hij begon in Den Haag. Met de motie Van Aartsen/Bos. Het was een slechte motie, zeggen kenners van de kinderopvangmarkt. Slecht doordacht, onzorgvuldig geformuleerd en overhaast uitgevoerd. En ouders hebben er amper wat aan gehad. Wat de motie regelt, hadden ze zelf ook kunnen regelen. Deze week werd bekend dat de wachtlijsten de afgelopen vier maanden weer gegroeid zijn, ondanks de gerealiseerde extra capaciteit voor 20.000 kinderen. Maar zonder de motie was er nooit zoveel draagvlak ontstaan voor naschoolse opvang.

Deze maand was het een half jaar geleden dat scholen verplicht werden naschoolse kinderopvang te organiseren voor ouders die dat wensen. Dat kwam door de motie Van Aartsen/Bos. Voormalig VVD-leider Jozias van Aartsen vond in 2005 dat er een einde moest komen aan het „gesleep met kinderen” van school naar pianoles, naar sportclub en weer naar huis. Ouders moesten hun handen vrij hebben om te kunnen werken. Anders was de vergrijzing straks niet te betalen. En omdat de kinderen om wie het ging allemaal op school zaten, moesten scholen de opvang organiseren.

Hoogleraar kinderopvang Louis Tavecchio vond het destijds een geweldig idee. In Nederland was naschoolse opvang er altijd alleen maar om kinderen bezig te houden tot de ouders (gehaast) terug komen van hun werk. Tavecchio hoopte dat door de motie hoogwaardige kinderopvang zou ontstaan, zoals die in Scandinavië wordt geboden. „Partners in opvoeding, in plaats van louter hulptroepen”. Díé opvang heeft de motie niet gebracht. „Een gemiste kans”, vindt hij nu.

Het moest namelijk allemaal vlug, vlug, vlug. Scholen kregen tot 1 augustus 2007 om de opvang te organiseren. Ze mochten het zelf, in het eigen gebouw, gaan doen. Maar het mocht ook aan kinderopvangbedrijven worden gedelegeerd.

Dat laatste gingen scholen doen: delegeren. Negentig procent van de schooldirecteuren heeft een contract gesloten met een kinderopvangorganisatie. Dat hadden ouders zelf ook kunnen organiseren. Wat góéde opvang is, en hoe scholen en opvang daarin kunnen samenwerken – daarover is amper over nagedacht. „De wettelijke implicaties van deze motie zijn door scholen op zijn smalst genomen. Dat vind ik bijzonder jammer”, zegt hoogleraar economie Janneke Plantenga van de Universiteit Utrecht.

De algemene vereniging van schooldirecteuren AVS had graag langer willen nadenken over goede opvang, zegt directeur Michiel Wigman. Maar de tijd ontbrak. De motie was „een vluggertje”.

De kinderopvang kraakt thans in zijn voegen. Voor de helft van de kinderen is er meteen plaats, maar vooral in het westen van het land schiet de capaciteit tekort.

Veel ouders hebben nog geen opvang. Ze werken minder dan ze zouden willen, om de kinderen van school te kunnen halen. Of ze regelen iets met opa en oma. Het is veel stress, zegt Margriet Stuurman, moeder van dochter Elize (4). „Ik heb er slapeloze nachten van gehad.” Natuurlijk, het is gewoon haar taak als ouder om haar kind op te halen. „Maar de motie heeft mij daarbij geen klap verder geholpen. Terwijl destijds wel werd gesuggereerd dat het onder de nieuwe wet geregeld zou zijn.”

Schooldirecteuren protesteren dat ze het al druk genoeg hebben met het onderwijs en alle andere verplichtingen die vanuit Den Haag op hen af komen. Zoals verplichte burgerschapslessen. Of lessen over alcoholpreventie en gezonde voeding, de verplichte invoering van het vak techniek, het inspelen op sociale problemen bij kinderen. En daar komt de opvang nu nog eens bij.

Gjalt Jellesma, voorzitter van oudervereniging Boink, heeft alle begrip voor de scholen die hun best doen, en de opvang niet voor elkaar krijgen. Maar er zijn ook scholen die tegen ouders zeggen dat ze het zelf maar moeten regelen. Of scholen die een nummer van een opvangorganisatie in hun schoolgids zetten, en dat was het dan. Kijk, dat is dus veel te weinig, vindt hij. Het grootste probleem van de motie, zegt hoogleraar Plantenga, is dat onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de uitvoering: de school, het ministerie of de opvang? Wat hebben we dan aan de motie gehad, wil ze maar zeggen.

Ouders die geen opvang hebben, moeten een rechtszaak aanspannen tegen hun school, zegt onderwijsadvocaat Wilco Brussee. „Als het écht niet lukt, houdt het op. Maar scholen hebben wel een resultaatsverplichting, de wet is daar duidelijk over.”

Margriet Stuurman denkt dat de opvang op lange termijn voor iedereen geregeld zal zijn. „Maar wij zijn de generatie die het moet bevechten”, zegt ze. „Ik maak me nu al zorgen over de zomervakantie. Dan heb ik nog geen opvang.”