Met gruwelijk leed vergelden

De nieuwe historische roman van Jan van Aken is een wraaktragedie én een Bildungsroman over een romantische kunstenaar. Is dat genoeg voor een waardige opvolger van ‘De valse dageraad’?

Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Jan van Aken: Koning voor een dag. Querido, 270 blz. € 18,95

In de anonieme Kikkermuizenoorlog, een mini-epos uit de Oudheid, worden de heldendaden van Achilles, Hector en de anderen geparodieerd. De in de Ilias beschreven strijd om Troje is hier een schermutseling bij een meer, waar stoere krijgers als Kruimelpikker en Hamvreter zich meten met brutale amfibieën als Blaaskaak en Kwaakluid. Na een woeste strijd, beschreven in Homerische stijl, hebben de muizen het pleit bijna beslecht, als Zeus met het zenden van een kreeftenbrigade de balans doet doorslaan naar de kikkers.

De Kikkermuizenoorlog wordt algemeen beschouwd als een parodie uit de eerste eeuw voor Christus. Maar in Koning voor een dag, de vierde historische roman van Jan van Aken, wordt het eposje al vijf eeuwen eerder gecomponeerd. De dichter Hipponax van Efesos ziet aan de waterkant hoe een kikker een muis verslindt, en bingo! een klassieker is geboren.

Het is een van de vele erudiete grapjes die Van Aken zich in Koning voor een dag veroorlooft, net als de bloederige verrassing die een man onder zijn dekens vindt (The Godfather), de kale venusheuvels van sommige vrouwen (ook toen al modieus), en de moeder die voor het hobbelpaard van haar kind de stijgbeugel uitvindt (wat in werkelijkheid pas honderden jaren later gebeurt). We kennen dit soort komische anachronismen al uit Van Akens briljante roman over de Middeleeuwen De valse dageraad (2001) waarin onder meer hasj wordt gesmokkeld en een hangglider uitgeprobeerd.

In Koning voor een dag werken ze wat minder goed, misschien omdat deze roman over het leven in Grieks Klein-Azië geen echte, vlotte schelmenroman van Valse dageraad-niveau is. De vraag rijst wat het dan wél is. Een roman over wraak, zonder twijfel, zoals al blijkt uit het motto, van de archaïsche dichter Archilochus: ‘Een grote kunst versta ik: met gruwelijk leed vergelden wie mij kwaad doet’. En een roman over een romantische kunstenaar: een dichter die steeds weer ondervindt ‘dat de wildernis te verkiezen is boven het gezelschap van mensen.’

De aartslelijke Hipponax is bovendien van geboorte af aan een verdoemde dichter. Geboren in Efesos in een woelig tijdperk (waarin de zelfstandigheid van de Griekse steden aan de Ionische kust bedreigd wordt door de Perzische koning), ontsnapt hij als jongen al herhaaldelijk aan de dood. Maar zijn problemen beginnen pas echt als hij in conflict komt met een beroemde beeldhouwer, die hij in scabreuze verzen over de hekel haalt. Niet zonder reden, want de beeldhouwer heeft hem vernederd door hem te vereeuwigen als een monsterlijke kikkermens, en erger nog: door zijn zuster, Hipponax’ gedroomde liefde, tegen hem op te zetten.

De eerste helft van het boek eindigt met de verbanning van Hipponax uit zijn vaderstad; en eigenlijk beginnen dan ook de problemen voor zijn schepper. Het lijkt erop of Van Aken niet goed meer wist wat hij met zijn roman aanmoest. Hij laat zijn held in Egypte avonturen beleven die soms zó gruwelijk zijn dat geen lezer ze zal vergeten. Maar erg veel dragen die zestig bladzijden toch niet bij aan het ronden van het karakter van de hoofdpersoon – of aan het leesplezier. Het verhaal wordt pas weer dwingend wanneer Hipponax zes jaar later terugkeert naar Ionië en in Klazomenai zijn showdown heeft met de inmiddels nóg hoger gestegen beeldhouwer.

De dichter krijgt zijn wraak, en uiteindelijk ook het meisje. Maar belangrijker is dat zijn Bildung is voltooid. Door het contact met gewone mensen is hij erachter gekomen dat hij geen rapsode is die deftige poëzie componeert maar een dichter van de straat die op zijn best is in schimpscheuten. Zoals een vriend tegen hem zegt: ‘Een begenadigd dichter krijgt datgene van de muzen toebedeeld waarmee hij zijn talent het best kan ontplooien.’

Als een schimpdichter is Hipponax de geschiedenis ingegaan, zij het dat er behalve een handvol versregels en een terloopse verwijzing naar zijn afkomst verder niets in de klassieke literatuur van hem is overgebleven. Jan van Aken heeft zijn fantasie op een bewonderenswaardige manier gebruikt en Hipponax een spectaculaire biografie geschopt. Hij heeft dat bovendien gedaan met behulp van een gebeitelde stijl met mooie zinnen en opvallende wendingen (‘In Efesos zag Hipponax het levenslicht – en het levenslicht schrikte voor hem terug’). Maar een voor honderd procent boeiende revenge tragedy heeft hij niet geschreven. Vooral in het middengedeelte vraagt de lezer – en zeker de niet klassiek geschoolde lezer – zich af waar het verhaal heengaat, en waarom je al deze wilde avonturen moet lezen. Daar kunnen gevilde piraten, afgehakte penissen, million dollar hookers en klassieke voodoorituelen weinig aan veranderen.