‘Man’ komt van ‘mennen’ en ‘vrouw’ van ‘vro-hou’

Stijn van Rossem: Portret van een Woordenaar. Cornelis Kiliaan en het woordenboek in de Nederlanden. Provincie Antwerpen, 242 blz. €25,–. www.corneliskiliaan.be.

Cornelis Kiliaan (ca. 1529-1607) is in België veel beroemder dan in Nederland. Ten onrechte, want het woordenboek dat deze Antwerpenaar in 1599 publiceerde, het Etymologicum Teutonicae linguae, is naast de Van Dale en het Woordenboek der Nederlandsche Taal een van de grote lexicografische monumenten van het Nederlands. In Kiliaans tijd begon zich een algemeen beschaafd Nederlands te ontwikkelen, dat vooral gebaseerd was op het Antwerps. Het woordenboek is daar de neerslag van: het bevat woorden uit de Antwerpse omgangstaal, maar ook regionale varianten uit de Noordelijke Nederlanden en zelfs uit Duitse streken die wij nu Duitstalig vinden. Al die woorden en uitdrukkingen worden door Kiliaan in het Latijn beschreven en geduid.

De provincie Antwerpen herdenkt de woordenboekmaker nu, 400 jaar na zijn dood, met een grote tentoonstelling en een boek waarin elf specialisten het woordenboek in zijn context plaatsen: het humanisme, de vroege boekdrukkunst, de kosmopolitische veeltaligheid van het 16de-eeuwse Antwerpen en de Nederlandse woordenboekmakerij.

Kiliaans benadering van de woordenschat was origineel en modern. Hij had oog voor regionale variatie en deed aan taalvergelijking. Bij veel Nederlandse woorden geeft hij woorden uit andere talen die erop lijken en daarmee liep hij vooruit op de latere ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie. Maar hij stond ook nog met één been in de oude traditie van het etymologisch speculeren. ‘Man’ komt van ‘mennen’, schrijft hij, want ‘het is de belangrijkste taak van de man dat hij zichzelf en alle andere dieren leidt en bestuurt’. ‘Vrouwe’ komt volgens Kiliaan van ‘vro-hou’: altijd haar vrolijkheid behoudend. En ‘God’ komt van ‘goed’, want zo staat het in de bijbel: er is niemand zo goed als God. Ook spreekt hij nog waardeoordelen uit over woorden. Woorden als ‘kutte’, ‘keesen’ en ‘kloot’ neemt hij onbevangen op, maar over Franse leenwoorden heeft hij zijn bedenkingen: hij vermeldt ze in een aparte lijst van ‘bastaardwoorden’.

Over de man zelf is niet veel meer bekend dan dat hij heel zijn leven lang als corrector in de beroemde uitgeverij-drukkerij van Christoffel Plantijn gewerkt heeft. Het moet een vlijtige en niet erg opvallende man geweest zijn, een typische lexicograaf, die midden in een roerige tijd (godsdiensttwisten, oorlog en de Val van Antwerpen) rustig aan dat woordenboek zat te werken. Bij gebrek aan spannende informatie over de man zelf, probeert Stijn van Rossem in Portret van een Woordenaar Kiliaan tot leven te wekken door een beeld te schetsen van de tijd waarin hij leefde en het cultureel-intellectuele milieu waarin hij verkeerde. Het het woordenboek zelf blijft daardoor wat onderbelicht.