Kwaliteit is het belangrijkste

Twee weken geleden pleitte Karel Berkhout in het opiniestuk ‘Oprollen die Bende’ voor sanering en fusie bij literaire tijdschriften. Deze week reageren de redacties van De Gids en Bunker Hill .

„We zijn toch geen opiumhandelaren!”

beeld Studio Tween Sanering van literaire tijdschrfiten illustratie Studio Tween Studio Tween

Op zoek naar nieuwe lezers

Dirk van Weelden en Arjen Mulder

In het Cultureel Supplement van 15 februari was een stuk te lezen dat wij niet onbeantwoord kunnen laten. Redacteur Karel Berkhout ontvouwde daarin een mening over de toekomst van de Nederlandse literaire tijdschriften. Enkele weken geleden belegde het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (NLPVF) een avond in De Balie te Amsterdam om de toestand in het literaire bladenland te inventariseren en oplossingen te bedenken voor eventuele problemen. Uitgevers, redacties, schrijvers, journalisten en lezers staken de koppen bij elkaar.

Berkhouts stuk lijkt bedoeld als de spreekwoordelijke knuppel in het hoenderhok. Zijn verhaal komt er op neer dat redacteuren van literaire tijdschriften verwaten, oubollige types zijn, die lak hebben aan lezers en zelfs hun eigen tijdschrift nauwelijks lezen. Geen wonder dat er dan maar zelden iets instaat dat niet ‘onleesbaar’ is. Vandaar zijn advies: fuseer de twaalf bestaande bladen en kom tot drie grotere tijdschriften, met elk een specialiteit: nieuwe literatuur, stukken over literatuur, en stukken over de rest. Verdeel vervolgens de subsidie over deze bladen zodat ze ook dure en dus leesbare auteurs kunnen aantrekken, en basta.

Dat klinkt gezond, stoer, kritisch en eigentijds. Het heeft alleen weinig te maken met wat er in De Gids staat, hoe die gemaakt wordt en hoe we bezig zijn de toekomst van ons blad veilig te stellen en te verbeteren. De Gids is al 170 jaar een algemeen cultureel tijdschrift, waarin naast poëzie, verhalend proza en literaire essays, stukken staan over beeldende kunst, muziek, theater, politieke en sociaal culturele debatten en de stand van zaken in de natuurwetenschappen. Het is dus niet gespecialiseerd, maar juist interdisciplinair.

Zouden we werkelijk zo onverschillig en zelfingenomen zijn als Berkhout beweert (hij baseert zich op een satirisch fictieverhaal dat hij gênant genoeg als feitelijke bron citeert), dan zouden we onmogelijk iedere maand een blad kunnen uitbrengen en op de enthousiaste samenwerking kunnen rekenen van bijvoorbeeld het Rijksmuseum, Teylers Museum, het Holland Festival en al de schrijvers, essayisten, wetenschappers en dichters die bij ons, tegen een relatief geringe vergoeding, inderdaad publiceren. Duizend pagina’s per jaar.

Om onze interdisciplinaire aanpak optimaal te laten werken maken we vier themanummers per jaar, waarin auteurs uit alle hoeken van de literatuur en de samenleving hun licht laten schijnen op één onderwerp, dat wij hun aandragen. Zo zijn er de afgelopen drie jaar zeer leesbare nummers gemaakt over Turkije, Willem-Frederik Hermans, de atoombom, Indische schrijfsters, seks, epische poëzie en het nu al legendarische, meer dan vijfhonderd pagina's dikke Montaigne-nummer van vorige zomer, waarin 107 Nederlandse auteurs een titel van de oude meester gebruiken voor een eigentijds essay. De komende tijd volgen themanummers rond Slauerhoff, hemel en aarde, Zuid-Afrika, het zwarte gat, immigrant-schrijvers en nog veel meer.

Daarnaast werken we met het DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren) samen om alle jaargangen van De Gids tot vorig jaar te digitaliseren en publiek toegankelijk te maken. De website van De Gids (www.literairtijdschrift-degids.nl) zal zo worden aangepast dat er niet alleen informatie te halen valt, maar ook drukwerk te koop zal zijn.

Verder zijn we de financiële basis van De Gids aan het versterken door sponsoring, onder meer door de Turing Foundation en de LIRA Stichting (waarvoor dank). Kortom, aan enthousiasme en openheid naar de wereld geen gebrek.

Wat De Gids onderscheidt van andere media waarin artikelen en verhalen verschijnen, is dat de kwaliteit van het geschrevene bij ons het enige doorslaggevende argument is om een stuk te plaatsen of af te wijzen (of wijzigingen voor te stellen aan de auteur). Met kwaliteit bedoelen we dat het verhaal, gedicht of essay stilistisch helder is, origineel van gedachte of aanpak, overtuigend, goed onderbouwd, en een eigentijdse visie uitdraagt. De opgave van de (overigens onbetaalde) redactie is die auteurs te vinden en te enthousiasmeren die aan deze eisen kunnen voldoen en tegelijk iets over de wereld nu te melden hebben. Specialisering lijkt ons de dood in de pot, fuseren met andere bladen, tja, hoeveel fusies leiden echt tot de gewenste synergie? Meer geld helpt vast, maar meer betalen aan auteurs is op zichzelf geen garantie voor kwaliteit. Anders zouden de kranten en weekbladen vol staan met literaire pareltjes.

Natuurlijk organiseerde het NLPVF die avond in De Balie niet voor niets. Net als bij alle tijdschriften kost het ook De Gids steeds meer moeite abonnees te vinden. Ook De Gids wordt veel meer dan vroeger via de losse verkoop verkocht. Daarnaast is het bladenland zo versnipperd en overladen dat lezers, maar ook de redactie van kranten en andere in literatuur en cultuur geïnteresseerde bladen, steeds minder aandacht kunnen of willen opbrengen voor de literaire tijdschriften. Wij zijn ervan overtuigd dat er in Nederland tienduizend mensen te vinden zijn die graag op een van de literaire bladen geabonneerd zouden willen zijn, alleen vraagt het opsporen van die lezers een andere aanpak dan in vroeger tijden. Dit is de vraag waar de literaire tijdschriften zich ons inziens voor gesteld zien. Dat daar een gezamenlijke aanpak voor nodig is, lijkt ons evident. Het zou al helpen als iedereen die deze brief heeft gelezen, meteen een abonnement neemt op De Gids. Wij garanderen dat u iets in huis haalt wat nergens anders te vinden is.

Namens de redactie van De Gids, Dirk van Weelden en Arjen Mulder

Hoezo onleesbare artikelen?

Victor Schiferli

In het artikel van Karel Berkhout getiteld Oprollen die bende (NRC Handelsblad,15 febr.) staat dat het literaire tijdschrift Bunker Hill, hoewel het bij de subsidiegever in de categorie van 100 tot 170 abonnees zit, er „nog geen 70” zou hebben. Het is onbekend waar hij dit op baseert, maar in elk geval niet op feiten want deze cijfers zijn onjuist. Wij vallen wat abonnees betreft ruim binnen de genoemde categorie van het Fonds, bovendien hebben we een redelijke losse verkoop.

Berkhout vermoedt verder dat de cijfers die het NLPVF over het afgelopen jaar opgaf niet kloppen, omdat uitgevers hun oplagen „traditioneel eerder overschatten dan onderschatten”. Dat ligt hier niet zeer voor de hand, omdat een afronding naar boven – naar fictieve, meer gunstige cijfers dus – hen een kleiner tekort en daarmee dus minder subsidie zou opleveren. Waarschijnlijk vindt Berkhout dat zijn eigen vermoedens hem ontslaan van de plicht uit te zoeken hoe het werkelijk zit.

Meer op inhoudelijk terrein stelt hij dat ‘de tijdschriften’ worden ‘ontsierd’ door ‘onleesbare artikelen’. Welke tijdschriften het hier betreft en wat er onleesbaar aan is laat hij onvermeld. „Er is in de tijdschriften de afgelopen jaren niet één verhaal gepubliceerd dat een rol speelde in het maatschappelijke of culturele debat”, schrijft hij. De vraag is of ‘de tijdschriften’ dat willen. De Gids heeft wat dat betreft een zekere traditie, maar Bunker Hill richt zich alleen op literaire bijdragen. We zijn dan ook een literair tijdschrift.

Dat de culturele bijlages de functie van het literaire tijdschrift hebben overgenomen of zouden moeten overnemen is iets wat je wel eens hoort opperen, maar het realiteitsgehalte lijkt me betwistbaar. Jonge schrijvers vinden geen podium om met hun literaire werk te rijpen in NRC Handelsblad of de Volkskrant. Er staan geen gedichten in Vrij Nederland. De bijlagen worden er niet veel dikker op, en besprekingen van minder courante genres zoals poëzie en essays liggen onder vuur. Om over de besprekingen van literaire tijdschriften nog te zwijgen.

De tijdschriften voorzien in een leemte, de vraag is of er een publiek is voor de invulling van die leemte. Publiekstijdschriften beginnen zelden zonder vastliggende formule, doelgroep en lezersonderzoek. De redacties van literaire tijdschriften lijken zelden stil te staan bij de vraag of er, voor wat zij publiceren, een doelgroep is. Dat is in deze wereld van marketingsstrategieën misschien een zegen, maar het ontslaat hen niet van de noodzaak om eens bij zichzelf te rade te gaan. Op de bijeenkomst van het NLPVF werden nuttige ideeën naar voren gebracht, meer dan alleen die tijdschriftenladder waar Berkhout smalend van rept.

Literaire tijdschriften leiden een marginaal bestaan, en de tijden worden er niet beter op voor wie zich in de marge bevindt. Misschien moeten literaire tijdschriften zichzelf wat inhoud, vormgeving en distributie betreft anno 2008 opnieuw uitvinden. Maar het voorstel om het aan de subsidieverstrekker over te laten de „bende op te rollen” – alsof het opiumhandelaren betreft – of verplichte fuseringen aan te laten gaan is onrealistisch en niet op deugdelijk onderzoek gebaseerd. Kortom, een weinig zinnige bijdrage in deze discussie.

Victor Schiferli namens de redactie van Bunker Hill

Het artikel van Karel Berkhout en de reactie van Ilja Leonard Pfeijffer zijn te lezen op nrc.nl/kunst