Kinderfoto’s maken me ziek

In blauwe kasten bewaarde Marguerite Duras schriften over haar jeugd, de oorlog en het uiteenvallen van haar familie. De cahiers bevatten pijnlijke sleutels tot een imposant oeuvre.

Marguerite Duras: Zelfportret van een wild meisje. Cahiers 1943-1949. Vertaald door Marianne Kaas. Meulenhoff, 335 blz, € 25,–

Je houdt van Duras of je vindt haar werk verschrikkelijk. Je laat je verleiden door de vreemde, gewelddadige, gesloten wereld vol onuitgesproken span- ningen of je verwerpt hem. Je wordt geraakt door dat typische taalgebruik, vol indringende, zich herhalende, beladen zinnen of je vindt het een kunstje, een handelsmerk dat er te dik opligt.

In de meest recente roman van Amélie Nothomb wordt gediscussieerd over Hiroshima mon amour, Duras’ filmscenario en dialoog uit 1960. De vertelster verschilt van mening met haar minnaar, een jonge Japanner. Hij vindt het boek bizar, voelt er niks bij; zij vindt het magnifiek. ‘De charme van Duras is dat je de dingen voelt zonder ze noodzakelijkerwijs te begrijpen’, betoogt ze, ‘als je een boek van Duras uit hebt, voel je frustratie. Zoals wanneer je aan het eind van een onderzoek nog steeds weinig hebt begrepen van de toedracht. Je hebt dingen gezien door een raam van matglas. Je staat met honger op van tafel’.

Voor die hongerige lezers van Duras is er nu Zelfportret van een wild meisje, een verzameling teksten die ze schreef tussen 1943 en 1949. Wie afgaat op de Nederlandse titel en een dagboek van een wilde meid verwacht, komt bedrogen uit. Cahiers de la guerre et autres textes luidt de Franse titel rustig en dat is precies wat het zijn: oude schriften, volgepend tijdens de oorlogsjaren en vlak erna. Vier schriftjes die Duras bewaarde in ‘de blauwe kasten’ in haar huis in Neauphle-le-Chateau en die ze samen in een envelop had gestopt, een roze gemarmerd schrift, een beige schrift, een cahier met het opschrift ‘Presses du XXe siècle’ en een ‘cahier 100 pages’.

De teksten gaan voornamelijk over haar kinder- en oorlogsjaren, sleutelperioden in Duras’ leven en oeuvre. ‘De oorlog vormt een geheel met de kinderherinneringen’, schrijft Duras in een kladversie van De minnaar (1984, Prix Goncourt), ‘de kinderjaren overspoelen de oorlog. Je bent gedoemd de oorlog je hele leven met je mee te dragen. Hetzelfde geldt voor de kindertijd, die je gedoemd bent lijdzaam te ondergaan’. Tegen die ijzeren wetten is maar één verweer mogelijk: schrijven. Het proces van dat protest, van die opstandigheid die een uitweg zoekt, voltrekt zich onder de ogen van de lezer van deze Cahiers. We zijn getuige van de geboorte van een schrijfster in al haar woede, pijn en rebellie. Alleen dat al maakt het lezen tot een boeiende ervaring.

Un barrage contre le Pacifique (1950) is een van de indrukwekkendste boeken die ik ooit las: de naïeve, wanhopige moeder die haar hele spaargeld stopt in het bouwen van een dam rond haar rijstvelden in Noord-Cambodja. Dat project dat tot mislukken is gedoemd, is nog steeds een machtige metafoor voor menselijke onmacht, onvermogen en absurditeit. De lamlendige zonen en de intelligente, sensuele dochter die de ‘eer’ van de straatarme, half gestoorde familie op het spel zet door haar relatie met een Annamitische rijke koopman, zijn onvergetelijke personages uit de wereldliteratuur.

In het roze gemarmerde schrift van 123 bladzijden staat een lange, autobiografische tekst die aan de basis ligt van deze roman. Niet in de stijl van Duras zoals we die nu kennen, maar in één keer opgeschreven door een jonge vrouw die lijdt aan het leven, zonder literaire pretenties, vanuit een innerlijke noodzaak. ‘Vanaf de kindertijd is elk levenslot oneindig deerniswekkend. In die van mij zie ik alleen een vroegrijpheid die me vooral afschuw inboezemt. Mijn kinderfoto’s maken me misselijk’.

Ze schrijft over de moeder, haar volharding in dat krankzinnige project dat haar ruïneerde, over haar epileptische aanvallen, waardoor ze soms lang bewusteloos was. Iedere dag werd ze door haar moeder geslagen, hard, met een stok, zodat er striemen op haar wangen achterbleven. ‘Ik keek vals uit mijn ogen en mijn moeder noemde mijn blik ‘giftig’’, schrijft Duras. Ze laat haar voor gek lopen in zelfgemaakte kleding, verbiedt haar enerzijds omgang met haar inheemse bewonderaar, Léo, en draagt haar anderzijds op hem financieel uit te kleden. En desondanks ‘geloofde ik in mijn moeder zoals ik in God geloofde’.

Opium

Ook schetst ze het portret van haar gewelddadige, opium snuivende oudste broer. ‘Hij was onrechtvaardig en laf zoals het lot dat is en elke lotsbestemming. Zijn wreedheid jegens mij bezat een zekere volmaaktheid, en was in wezen zuiver’, schrijft de schrijfster in wording, ‘zijn slechtheid was van dien aard dat ik er nooit iets menselijks aan heb kunnen ontdekken, op grond daarvan eis ik een opschorten van elke ethische norm’. In deze en vergelijkbare zinnen kondigt zich haar latere stijl aan, in al deze observaties zit de bron voor haar latere thematiek. Normaal taalgebruik werd in het gezin nauwelijks gebezigd, gescholden werd er veel, ‘maar dat kwam voort uit een zeker gevoel voor poëzie’. Dertien jaar na het uiteenvallen van het gezin schrijft Duras haar herinneringen aan die jeugdjaren op. Waarom? ‘Als ik ze niet noteer, zal ik ze langzaam aan gaan vergeten. Die gedachte is me een gruwel. Als ik niet trouw ben aan mezelf, aan wie dan wel?’

Verder op in het schrift staan vier luttele regels, apart, als een losse gedachte. ‘Ik ben een bedelares tegengekomen die me haar dochtertje wilde geven [...] Als je het hebben wilt, zeg dan maar tegen Joseph dat hij het moet gaan halen’. Achteloos staan ze er, die regels, zonder toelichting of emotie. Het beeld van de bedelares, met haar dochtertje op de arm, komt terug in veel van Duras’ films en boeken, vaak ook net zo sec als ze het hier, in dit schrift, voor het eerst heeft opgeschreven. Voor Duras moet dit het beeld bij uitstek zijn geworden van armoede, het punt waarop de diepste wanhoop bereikt is, de noodkreet van een moeder, een metafoor voor de wereld waarin Duras is opgegroeid.

In het beige schrift staan, bijna spiegelbeeldig aan deze regels, korte passages over de dag waarop Duras, in een klooster, haar eerste kind verloor, vlak na de geboorte. Ze mag het jongetje niet zien, haar wordt verteld dat het verbrand zal worden. Moeder-overste komt langs om te vragen of ze ‘haar bloemen aan de Heilige Maagd wil geven’ en of ze ter communie wil gaan. Beide vragen beantwoordt Duras negatief. ‘Dat wil niet ter communie en dat jammert omdat haar kind is gestorven’, luidt het antwoord van de overste. ‘„Moeder”, werd ze genoemd’, schrijft Duras fijntjes. Wie haar werk kent, en de rest van dit boek las, weet hoe genadeloos deze opmerking uitgelegd moet worden en welke wereld erachter schuilt. Ook dat wordt je steeds duidelijker: de wereld achter haar schrijverschap.

Deportatie

Zo bevatten de schriften ook fragmenten uit La douleur (1985, De pijn), Duras’ troebele roman over de deportatie van haar man Robert Antelme en haar periode in het verzet. In de korte introductie tot het boek schrijft Duras dat ze, toen ze ze terugvond, zich niet kon herinneren dat ze ze geschreven had. Harde, heftige fragmenten zijn het, cruciaal in veel van haar romans. Neem de bladzijden waarin ze schrijft over het onverdraaglijke wachten op haar gedeporteerde echtgenoot, van wie ze geen enkel nieuws ontvangt. De waanzin die die onzekerheid bij haar teweegbrengt heeft ze in menig fragment onder woorden gebracht. ‘Ik houd het niet meer uit. Er gaat iets gebeuren, zeg ik bij mezelf, dit kan zo niet. Ik ben alleen nog wachten’.

Of de scène waarin een vrouwelijk lid van een verzetsgroep de leiding heeft bij het ondervragen en martelen van een verrader. ‘Ik ben slecht’, lezen we in het roze gemarmerde schrift, ‘daar had ik altijd al zo’n vermoeden van. Eindelijk gaf ze haar hele slechtheid bloot. Als klein meisje had ze vaak slaag gehad, nooit had ze terug kunnen slaan, ze fantaseerde erover haar oudste broer te slaan’.

Wat is fantasie en wat is waar? Het zijn vragen die vaak worden gesteld als het om Duras gaat. Deze cahiers de la guerre illustreren haarscherp die onontwarbare verstrengeling van leven en schrijven, van verbeelding en persoonlijke ervaring in een grandioos oeuvre.