Is de woedewapenwedloop voorbij?

Waarom lijkt verzoening het toverwoord in de huidige verkiezingsstrijd in de VS? Ronald Brownstein schreef een stimulerend boek over de politieke radicalisering daar.

Ronald Brownstein:The Second Civil War. How Extreme Partisanship Has Paralyzed Washington and Polarized America. Penguin Press, 484 blz. € 18,85

Is de Republikeinse presidentskandidaat John McCain een politicus zonder partij?

In een recente column in de Washington Post schreef politiek commentator E.J. Dionne dat McCains verwachte nominatie leidt tot ‘een echtscheiding, na een huwelijk van 28 jaar, tussen het Republikeinse en het conservatieve establishment.’ Sinds Gerald Ford in 1976 is volgens Dionne geen enkele Republikein erin geslaagd de kandidatuur van zijn partij in de wacht te slepen zonder de actieve of passieve steun van de machtige rechtervleugel in de Amerikaanse politiek. Na Ronald Reagan, George H. W. Bush, Bob Dole en George W. Bush zou de partij onder McCain dus een nieuwe richting inslaan, volgens Dionne een ‘revolutie’ in de Amerikaanse politiek.

Dat McCain om uiteenlopende redenen wordt gewantrouwd door conservatief Amerika is duidelijk. Aanhangers van de vrije markt en behoudende christenen hebben weinig op met de senator uit Arizona, die tegen de belastingverlaging van Bush was en in de campagne van 2000 leiders van religieus rechts ‘intolerant’ noemde. Ook de persoon van McCain, een non-conformist die warme banden onderhoudt met journalisten van de mainstream pers, staat hen tegen. Maar kan hij dan wél op de steun rekenen van het establishment van de Republikeinse partij?

Wie The Second Civil War, het stimulerende boek van Ronald Brownstein, heeft gelezen, weet dat die vraag met een wedervraag moet worden beantwoord: welk Republikeins establishment? Brownstein, tot voor kort als verslaggever in dienst van de Los Angeles Times en tegenwoordig politiek directeur van de Atlantic Media Company, heeft de geschiedenis geschreven van de hyperpartijdigheid die politiek Washington in haar greep houdt. Beide partijen, Democraten én Republikeinen, zijn hieraan volgens hem schuldig.

Maar wie The Second Civil War goed leest beseft dat de Republikeinen de afgelopen kwart eeuw beter waren in wat president George Bush ‘de wapenwedloop van woede’ heeft genoemd. Zo goed zelfs, dat zij niet alleen de Democraten in het defensief hebben gedrongen, maar ook hebben afgerekend met onwelgevallige elementen in hun eigen partij. Brownstein is duidelijk: het zijn vooral de gematigde Republikeinen die het moesten ontgelden. En juist zij, mannen zoals de eerste president Bush, diens geestverwanten James Baker en Brent Scowcroft en senatoren als Chuck Hagel en Richard Lugar, vormden de kern van het Republikeinse establishment. Dat is weliswaar nog niet verdwenen – Bush senior heeft McCain onlangs zijn steun gegeven – maar het is wél ernstig verzwakt. De furieuze energie in de Republikeinse partij komt sinds Reagan uit de conservatieve hoek, van Congresleden als Newt Gingrich en Tom DeLay en publicisten en talkradio-commentatoren als Ann Coulter en Rush Limbaugh.

Toch zijn de Democraten volgens Brownstein begonnen. Eind jaren vijftig van de vorige eeuw organiseerden jonge parlementsleden ‘een kruistocht’ om van de Democratische partij een progressieve eenheid te maken. Deze liberals wilden afrekenen met de dominante positie van partijgenoten uit de staten van het Oude Zuiden, die zowel te behoudend als, in veel gevallen, racistisch waren.

Na de moord op president John Kennedy in november 1963 grepen ze hun kans. Onder diens opvolger Lyndon Johnson werd in korte tijd een groot aantal sociale wetten op het gebied van onderwijs, armoedebestrijding en burgerrechten door het Congres geloodst. Progressief Amerika roerde zich ook buiten Washington. Actie- en belangengroepen maakten zich sterk voor de emancipatie van vrouwen en homo’s, de bescherming van het milieu, verkeersveiligheid en een betere leefomgeving. Ook de buitenlandse politiek trokken ze naar zich toe, met massale demonstraties tegen de oorlog in Vietnam.

Een reactie kon niet uitblijven. Waren het in de jaren zestig vooral de Democraten, en binnen deze partij de progressieve vleugel, die een polarisatiestrategie voerden, sinds de jaren zeventig hebben de Republikeinen, en binnen deze partij de conservatieve vleugel, het initiatief overgenomen. Ook zij hadden hun eigen actie- en belangengroepen: tegen abortus, tegen belastingen, tegen positieve discriminatie.

In deze periode vond buiten Washington een dubbele electorale migratie plaats. Miljoenen Southern Democrats, behoudende Democraten uit het Diepe zuiden, verhuisden naar de tegenpartij uit weerzin tegen de burgerrechten voor Afrikaans-Amerikanen en de progressieve koers van een nieuwe generatie partijgenoten. Miljoenen gematigde en progressieve Republikeinen uit het Midden-Westen en het Noord-Oosten van Amerika vonden onderdak bij de Democratische partij. Deze migratie, door Brownstein the great sorting out genoemd, versterkte de identiteit van beide partijen. Hoewel deze niet werden omgevormd tot solide ideologische blokken, worden ze sinds de jaren tachtig wel gedomineerd door hun extreme vleugels.

De herschikking vond dus plaats in beide partijen, maar vooral de Republikeinen hebben er politieke munt uit geslagen. President Ronald Reagan (1981-1989) profiteerde er als eerste van. Zonder steun van de Moral Majority, een belangengroep van conservatieve christenen en entrepreneurs, was hij nooit gekozen. In zijn beleid liet Reagan zijn ideologische impulsen weliswaar nog corrigeren door pragmatische medewerkers, maar in het decennium daarna verschoof de balans definitief naar de hardliners. Onder leiding van stokebrand Newt Gingrich pleegden zij een coup in de Republikeinse partij.

Brownstein besteedt terecht veel aandacht aan deze creatieve, rusteloze, militante en uiteindelijk zelfdestructieve politicus, die slechts vier jaar voorzitter was van het Huis van Afgevaardigden (1994-1998) maar als politiek strateeg grote invloed had en heeft. (Zijn rol in de Republikeinse partij is ook na zijn gedwongen aftreden groot gebleven). Gingrich overvleugelde twee Republikeinse presidentskandidaten van de oude stempel (de gematigde Bush en Dole), en drukte president Bill Clinton in de hoek. Gingrich, een zelfverklaarde retorische bommengooier, gaf leiding aan een nieuwe generatie Republikeinen, het spiegelbeeld van de progressieve Democraten in de jaren vijftig: wars van het sluiten van compromissen, vol vuur om politiek Amerika om te ploegen. Hun taalgebruik was even bot als hun strategie. Gingrich noemde het Huis van Afgevaardigden, waar de Democraten tot 1994 decennia lang domineerden, ‘een ziek instituut’. De regering-Clinton was ‘de vijand van gewone Amerikanen’.

Na de eeuwwisseling namen president George W. Bush en zijn meesterstrateeg Karl Rove het heft in handen. Bush begon als zelfverklaard compassionate conservative veelbelovend; samen met de progressieve senator Edward Kennedy loodste hij nieuwe onderwijswetgeving door het Congres. Maar al snel kwam zijn ware aard bovendrijven: in navolging van Gingrich zag hij het sluiten van compromissen als zwakte. In een indrukwekkend hoofdstuk (De president van de helft van Amerika) citeert Brownstein veel Congresleden, Democraten én Republikeinen, die hiervan getuigen. Echte leiders zetten volgens Bush de koers uit. Hiervan vervolgens afwijken komt neer op ‘onderhandelen met jezelf’; een zichzelf respecterend politicus doet dat niet. Twijfel is zwakte.

Een andere reden dat Bush en Rove het politieke midden meden, was dat dit volgens Brownstein was veranderd in een (bijna) verlaten woonwijk. In plaats daarvan baseerden ze hun verkiezingen én hun beleid op de kleinst mogelijke electorale meerderheid van 50 plus 1 procent. Als het aan Rove lag, waren de Democraten, de partij van 50 min 1 procent, als permanente minderheidspartij weggezet.

Is de Amerikaanse politiek in staat een streep te zetten onder het tijdperk van hyperpartijdigheid? Ja, zegt Brownstein, maar alleen als Republikeinen en Democraten bereid zijn achterom te kijken. The Second Civil War is in de kern een melancholiek boek. Brownstein verlangt terug naar de achterkamertjespolitiek uit het verleden. De eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog hadden Congresleden van beide partijen nog oog en tijd voor elkaar. Bij drank en sigaren sloten ze compromissen.

Voor de toekomst heeft Brownstein zijn hoop gevestigd op het electoraat en op deze presidentsverkiezingen. Uit onderzoek zou zijn gebleken dat een verwaarloosbare minderheid van de kiezers zichzelf als zeer conservatief of uiterst progressief omschrijft. ‘En één van de eerbiedwaardigste theorieën van verkiezingen’, schrijft hij, ‘is dat het land vrijwel altijd een president kiest die een reactie vormt op de gebreken van zijn voorganger.’ In dit geval: ‘creativiteit en flexibiliteit om in binnen- en buitenland meer consensus te creëren.’

Met de grote verzoener Barack Obama wordt Brownstein op zijn wenken bediend. Of is Amerika rijp voor McCain, de eenzelvige rebel op leeftijd die door zijn eigen partij niet wordt gepruimd?