Imre Kertész ernstig in gesprek met Imre Kertész

Imre Kertész: Dossier K. Een onderzoek. Vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy. De Bezige Bij, 214 blz. € 18,50

Na de verschijning van zijn vorige roman, Liquidatie, waarin hij erin slaagde na de naar zichzelf verwijzende romantrilogie Onbepaald door het lot, Het fiasco en Kaddisj voor een niet geboren kind nog een Escheriaanse dimensie toe te voegen aan zijn levenswerk, ‘het onophoudelijk delven van het graf waaraan anderen, die boven de wolken wonen, mee graven’, vreesde ik voor zijn leven. Het lijkt er immers op dat nagenoeg allen, die door hun ervaringen in de vernietigingskampen tot een diep inzicht waren gekomen omtrent het wezen van de mens en de gruwelen waartoe die in staat is, en dit onder woorden konden brengen – Jean Améry en Paul Célan, Tadeusz Borowski en Primo Levi, ‘collega’s’ van Imre Kertész in Auschwitz en in het denken –, niet bij machte zijn geweest het overleven te verdragen. Dat in tegenstelling tot documentaire schrijvers als Elie Wiesel, die de hoop hebben daarmee ‘nooit meer Auschwitz’ te bewerkstelligen, en er nieuwe krachten uit putten. Gelukkig ziet Imre Kertész (1929) telkens weer andere facetten van het bestaan die om opheldering vragen – al zou de oppervlakkige lezer denken dat hij het toch weer over hetzelfde, zijn eigen leven, heeft. Dat is ten dele waar: Kertész gebruikt zijn eigen beleving als basis. Maar zijn werk is wel degelijk fictie, weliswaar niet verkregen door verbeelding, maar door abstractie, waarbij hij zich van het hele instrumentarium van de postmoderne literatuur bedient.

Nadat hem in 2002 de Nobelprijs was toegekend, verweten verschillende Hongaarse critici Kertész – in eigen land bij het brede publiek toen nog vrijwel onbekend – dat hij binnen het toch al afgekloven onderwerp ‘concentratiekamp’ over niets anders dan zichzelf kon schrijven. Als reactie hierop stelde Kertész uitdagend dat Onbepaald door het lot eigenlijk over het Kádár-regime ging.

Dossier K. lijkt in eerste instantie een uitleg te zijn voor zijn oeuvre, waarbij de voornaamste vraag is hoe realiteit zich tot fictie verhoudt. Kertész, de mens, geeft zich hier bloot in de vorm van een gesprek en vertelt over zijn werkelijke leven – maar laten we niet uit het oog verliezen dat ook dit gesprek fictie is, al is het gebaseerd op een diepte-interview door zijn vriend Zoltán Hafner, dat ook echt plaats heeft gehad. Aan de hand daarvan schreef Kertész een autobiografie die tevens inzicht geeft in tachtig jaar getourmenteerde Hongaarse geschiedenis. In zijn voorwoord beroept hij zich op Nietzsche, die het genre roman van de platonische dialogen laat afstammen. Kertész stelt de vragen en Kertész geeft de antwoorden. Een superieur spel met de diepst mogelijke ernst.