Het lusteloze slurfje

Vrijwel gelijk verschenen twee cultuurhistorische studies naar wat groeit en leeft in de mannelijke heupstreek – of juist niet. Over het opperklootje en het machteloze gevoel bij het lezen van een boek over impotentie.

Angus McLaren: Impotence. A cultural history. The University of Chicago Press. 332 blz. € 19,90

Een stuk over impotentie hoort met een persoonlijke bekentenis te beginnen. Ik krijg het vaak niet voor elkaar: dikke boeken lezen. En al helemaal niet als dat snel moet gebeuren, liefst in een paar dagen. Ik weet niet precies wat het is. Het voelt alsof ik te klein ben geschapen, geestelijk. Ik verlies me te graag in details. De psychiater zou vermoedelijk zeggen: u vlúcht te graag in details. Zo komt het dat het boek Impotence al een hele tijd uit is en dat ik er al een hele tijd te hooi en te gras in heb gelezen, met veel plezier, maar dat ik het maar niet uit kreeg. Hier zou de psychiater vermoedelijk zeggen: u wílt het boek over impotentie niet uit krijgen, u bent vast bang voor het moment waarop u het met een diepe zucht kunt dichtslaan en bevredigd achteroverleunen. Voor wie zo lang in een boek over impotentie rondhangt, wordt alles vanzelf een manifestatie van onmacht, tot aan het lezen zelf toe.

De waarheid is dat ik het boek inmiddels helemaal uit heb. En ik heb er enorm van genoten. Ik heb bij wijze van spreken de smaak van de impotentie nu helemaal te pakken en zou zo weer van voren af aan willen beginnen. Lekker dikke boeken over impotentie lezen! Ik weet nog even niet wat ik er in het algemeen over moet zeggen (ook een vorm van onmacht), maar wel dat mij allerlei details zijn bijgebleven uit deze zee van anekdotes, wetenswaardigheden, vreemde theorieën, historische ontwikkelingen en medische inzichten.

Een ervan is een middeleeuwse miniatuur uit een Vlaams manuscript. We zien een ongelukkige man, alleen gekleed in een mantel, daaronder niets. Naast hem staat zijn vrouw, met een nog ongelukkiger uitdrukking op haar gezicht. Zij heeft aan haar kant de mantel van haar man opzij geslagen. Aan de andere kant staat iemand die hetzelfde doet. Zo krijgen wij een goed zicht op de blote benen en de blote buik van de man. Een mooi streepje schaamhaar wijst omhoog, tot aan zijn navel, maar zijn slurfje hangt er wat verloren bij, en kijkt lusteloos naar beneden. Zo wordt de man getoond aan twee kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, of twee kerkelijke rechters, die zo te zien ook niet vrolijk worden van deze aanblik. Het is een scène die zich in de middeleeuwen veel vaker moet hebben afgespeeld. Alleen als de huwelijkse plicht niet kon worden uitgevoerd kon een kerkelijke rechtbank overgaan tot ontbinding van een huwelijk. Maar dan moest de veronderstelde impotentie wel eerst worden bewezen, in het openbaar, voor een paar zuur kijkende rechters. Als de man het in bed niet kon, dan zeker niet voor zo’n rechtbank, zou je denken. Er zijn ook verslagen van onderzoeken waarbij vrouwen met ontbloot bovenlichaam en – mooi detail – eerst bij het vuur opgewarmde handen bij de van impotentie beschuldigde man probeerden om zijn penis en testikels stevig op te wrijven, eventueel gevolgd door omhelzingen en kussen en woordelijke aanmoedigingen. Als de penis dan nog even klein bleef als hij was, dan was daarmee de impotentie bewezen.

Waarom blijven zulke afbeeldingen en zulke verhalen je bij? Omdat ze zo bizar zijn, in onze ogen. Omdat je je plaatsvervangend toch een beetje schaamt, en medelijden voelt, bij dit soort openbare onderzoeken. De tijden waren anders, dat weet ik ook wel. Het huwelijk had een andere functie, seks had een andere bedoeling en het belang van nageslacht was anders dan in later eeuwen. Misschien was het allemaal niet zo vernederend als het nu lijkt, maar toch: zie de arme man daar staan, met zijn hulpeloos geheven handjes, en zijn hulpeloos neerhangende geslacht.

Nog zoiets waar ik lang bij stil bleef staan: het verhaal van Marie Stopes. Geboren in 1880, getrouwd in 1911, met een twee jaar jongere Canadese plantenkundige. Het huwelijk was nogal snel tot stand gekomen, maar Stopes wilde het ook nogal snel weer beëindigen – toen haar bleek dat de botanist seksueel niet kon brengen wat zij wenste. Zij wilde voor de rechtbank wel aansturen op nonconsommatie als grond voor scheiding, en zij had er dus belang bij hem voor te stellen als impotent. Dat kwam wel vaker voor, maar het bijzondere is dat Stopes er later boeken over schreef, en daarmee in Amerika honderdduizenden lezers bereikte. En zo wisten honderdduizenden dat de beroemde geleerde Reginald Ruggles Gates urenlang over het voorspel kon doen, maar dat hem dat slechts bij drie gelegenheden tot gedeeltelijke stijfheid had gebracht (‘only partially rigid’). Gedeeltelijke stijfheid? Daar zal dan wel het begin van een erectie mee bedoeld zijn. Verder wist mevrouw Stopes te melden dat de jongeheer van meneer Gates zo slapjes bleef dat hij, bij zijn geworstel om bij haar naar binnen te kunnen, hem met zijn vingers naar binnen moest duwen.

Dat is ook weer zo’n moment waarop je een boek even weglegt en maar eens wat naar buiten gaat kijken. Je ziet het gehaspel voor je en je weet niet of je je er nu ongemakkelijk bij moet voelen of juist geamuseerd. Beide dan maar.

Zo voelde ik me vaak bij het lezen van Impotence, het dikke boek van Angus McLaren, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Victoria. Het gaat over het menselijk tekort, en wel vooral één specifieke vorm daarvan: het onvermogen van sommige mannen om een erectie te krijgen. Maar McLaren doet er nergens vervelend over. Integendeel. Impotence is een geanimeerde studie, geschreven door een erg onderzoekende geest, in een erg levendige stijl. Het laat de geschiedenis zien van impotentie door de eeuwen heen, met de nadruk op de Westerse wereld in de laatste 2.500 jaar: bij de Grieken en de Romeinen, in de Christelijke wereld, in de middeleeuwen, in de tijd van de kwakzalvers, ten tijde van de Verlichting en in de Victoriaanse periode, door de ogen van Freud en van feministen, als een hormonaal probleem en als een relatieprobleem, gevolg van de stress in de westerse samenleving of gevolg van slechte bloedtoevoer in de desbetreffende bloedvaten, te bestrijden met therapie of met Viagra. Alles breed benaderd en van veel achtergrond voorzien, alles wetenschappelijk verantwoord, maar nergens saai, in een snelle afwisseling van analyse en anekdote, onderzoek en essay.

McLaren geeft niet alleen een historisch, maar vooral een cultuurhistorisch overzicht. Wat is impotentie? Het antwoord op die vraag is in alle tijden en culturen verschillend, dat is voor mij de grootste les van dit boek. ‘Normaal’ bestaat niet, en ‘natuurlijk’ ook niet. Soms werd impotentie gelijkgesteld met onvruchtbaarheid. Soms met het onvermogen om een erectie te krijgen. Soms met niet kunnen penetreren. Soms met niet kunnen ejaculeren. Of juist met te vroeg ejaculeren. Of met het onvermogen om op een voor beide partijen bevredigende manier seks te hebben. Het zal duidelijk zijn dat dat ene kleine, aanwijsbare lichamelijke ongemak verbonden is met grote abstracte zaken als religie, magie, status, de functie van seks, begrippen als mannelijkheid en vrouwelijkheid, het belang van jeugdigheid en de macht van de medische industrie.

En dan is ook wel duidelijk dat impotentie van alle tijden is, en vele gezichten heeft, en dat er dus ook geen vooruitgang in de impotentie zit. Elk nieuw inzicht en elke nieuwe uitvinding brengen ook weer nieuwe problemen met zich mee. Het beste voorbeeld is het onwaarschijnlijke succes van het toverpilletje Viagra, in de laatste tien jaar. Dat maakte een erectie op bestelling mogelijk. Voor alle leeftijden, discreet te verkrijgen en discreet in te nemen. Een eeuw van psychologisch getob kon in één keer worden afgesloten, zo leek het. Geen therapie meer, nooit meer nadenken over gevoelens en relaties. De tweede seksuele revolutie leek te kunnen beginnen. Playboy schreef opgelucht: ‘The penis is back.’

Maar McLaren laat in zijn hoofdstuk over Viagra (ook heel goed als een los essay te lezen) zien dat deze ogenschijnlijke bevrijding ook meteen nieuwe stress met zich meebrengt. Veel oudere mannen durven nu opeens weer vreemd te gaan – pilletje op zak. Voor veel oudere vrouwen wordt seksuele gemeenschap weer een gedwongen handeling – en voorspel en intimiteit zijn niet meer nodig. Seks wordt gepland, een klinische aangelegenheid. Intussen doen jongeren er ook hun voordeel mee. Dertigers maken lange werkdagen, zijn uitgeput, en nemen bij thuiskomst dan maar een erectiepil. Dat levert een ander soort seks op. Hetzelfde geldt voor jonge partybezoekers. Die gebruiken de erectiepil als een ‘date-insurance’.

W inst of verlies? Het voordeel aan de ene kant zorgt elders in het impotentiespectrum natuurlijk weer voor nieuwe ongemakken en nieuwe faalangst. Door alle aandacht voor snelle en succesvolle erecties kunnen mannen onverhoeds op het idee worden gebracht dat ze een probleem hebben. En door de snelheid van de media in het Viagra-tijdperk zijn dat er nu meer dan ooit.

Zo is de impotentie dus, ondanks Viagra, de wereld nog niet uit. De erectiepillenindustrie heeft erg haar best gedaan om impotentie als een klein en onschuldig bloedvatprobleem voor te stellen, zonder verdere bijgedachten. Zoiets als een kalknagel. Of, dat hoor je nu ook veel in de reclame, ‘een overactieve blaas’. Maar toch is het stigma nog steeds niet verdwenen.

Het beste bewijs daarvoor is dat er vanaf de invoering grappen worden gemaakt over Viagra en Viagra-gebruikers, in boeken, films en op tv. In 2002 liet de Amerikaanse tv handenwrijvend de gewezen minnares van Saddam Hussein aan het woord om te vertellen dat hij Viagra gebruikte. En al even gretig meldde men dat op het dode lichaam van Saddams zoon Uday een condoom en een voorraad erectiepillen waren aangetroffen. De onderliggende gedachte is nog steeds: wie voor een erectie een pilletje nodig heeft is geen echte man.