Grimmige welvaart

Heeft Poetin de Russen stabiliteit gebracht, of is hij een despoot en een bedreiging voor het westen? Correspondenten maken de balans op, aan de vooravond van de ‘democratische’ verkiezingen van aanstaande zondag.

Jelle Brandt Corstius: Rusland voor gevorderden. Berichten van een overlever. Prometheus, 187 blz. € 14,95

Yuri Felshtinsky en Vladimir Pribylovsky: De onderneming. Rusland onder Poetin. Forum, 384 blz. € 18.95

Edward Lucas: De nieuwe koude oorlog. Nieuw Amsterdam, 320 blz. €18,95

Laura Starink:De Russische kater. Prometheus, 272 blz.€17,95

In 1988 heette de staat nog de Sovjet Unie, waar het reëel bestaande socialisme was gevestigd. Een paar jaar later kon er geen ideologische veer meer van geplukt worden, was een kansloze communistische tegencoup onschadelijk gemaakt door eigenlijk maar één man die op een tank klom, werd niet alleen de democratie maar vooral ook het kapitalisme omhelsd en had het land behalve de orthodoxe kerk ook de beenderresten van de laatste tsarenfamilie in ere hersteld. Het was z’n status als super-mogendheid kwijt, en beleefde politieke na financiële crisis onder leiding van een enigszins drankzuchtige president die zichzelf van hartinfarct naar nipte verkiezingsoverwinning overeind hield. Voor de opvolger die hij in het jaar 2000 aanwees (en die slechts nog democratisch gekozen hoefde te worden) leek het onbegonnen werk om nog iets te maken van een land dat in al z’n voegen kraakte. Of niet?

Acht jaar later komt, kort voor nieuwe verkiezingen (wederom heeft de zittende president een opvolger aangewezen voor wie het electoraat alleen nog maar democratisch naar de stembus hoeft), een Nederlandse kamerdelegatie bekommerd terug uit Moskou waar ze grote macht in het Kremlin heeft vastgesteld zonder een spoor van controle; verschijnt in Engeland een boek onder de alarmerende titel The new cold War, een oorlog die volgens de auteur al volop aan de gang is; neemt de Navo met zorg kennis van Russische dreigementen tegen Tsjechië, Polen en Oekraïne, alsmede alle westerse landen die recentelijk Kosovo hebben erkend en is de rest van de wereld wantrouwiger dan ooit geworden over de onopgeloste moord op journaliste Anna Politkovskaja en de vergiftiging van ex-KGB-kolonel Aleksandr Litvinenko. En Laura Starink citeert in haar bundel De Russische kater de liberale schrijfster Ljoedmila Saraskina:

‘Wij zijn Aziaten. Poetin is heel on-Russisch, hij is een Duitser, pragmatisch, koel, accuraat. Hij weet om te gaan met de groten der aarde, met de leiders van de G-8. Hij heeft niet die Russische sentimentaliteit. Wij zijn gewend aan krankzinnige leiders. Aan Nikita Chroetsjtsov, die in een vergadering van de VN met zijn schoen op tafel slaat. Aan Breznjev, die iedereen begint te zoenen. Zelfs voor Gorbatsjov heb ik me altijd geschaamd: zo beroerd Russisch als die spreekt! Ik vind dat belangrijk; iemand die de taal slecht spreekt heeft niet het recht ons staatshoofd te zijn. Dan neem je maar bijlessen. En de dronken Jeltsin was gewoon Azië uit Sverdlovsk, een Russische beer uit Siberië. Poetin is de eerste Russische leider voor wie ik me niet hoef te schamen.’

En even later nog: ‘Poetin heeft een vreselijk land geërfd dat uit elkaar dreigde te vallen, en het is hem gelukt er in acht jaar weer min of meer een eenheid van te maken. Hij heeft een coherente buitenlandse politiek geformuleerd, hij heeft ons land zijn eigenwaarde teruggegeven. Eindelijk mogen we er weer voor uitkomen dat we onze eigen nationale belangen hebben.’

Er zijn weinig landen ter wereld waar in de afgelopen twintig jaar veranderingen zo drastisch hebben huisgehouden als in Rusland – en je mag het een godswonder noemen dat al die grote en kleinere aardverschuivingen, crisissen, frustraties, uitingen van het verschrikkelijkste oud zeer en vormen van politieke onvrede en revanchegevoelens, nauwelijks bloed hebben gekost.

Maar wat hebben de spectaculaire koerswijzigingen in twintig opwindende jaren vooralsnog méér opgeleverd dan de alleenheerschappij van een pragmatische, koele, accurate en on-Russische man die z’n eigen opvolger coöpteert en voor de zekerheid diens premier wil blijven om z’n greep op het zelfgecreëerde regime niet te verliezen? Een man die sinds z’n uitverkiezing stap voor stap de ruimte heeft ingeperkt van journalisten, schrijvers, onafhankelijke politici en privé-ondernemers, die een schijn van democratie ophoudt, maar in feite het (niet-communistische) evenbeeld is van de voorganger in het Kremlin die hij zeer bewondert: Joeri Andropov?

‘Poetin’, schrijft Edward Lucas in De nieuwe koude oorlog, ‘is de erfgenaam van een angstaanjagende, maar nauwelijks herinnerde figuur uit het Sovjetverleden: Joeri Andropov, voormalig hoofd van de KGB, die korte tijd aan de macht was na het overlijden van Leonid Brezjnev in 1982. Net als Andropov gelooft Poetin dat straffe discipline de sleutel is tot economisch herstel. Net als hij hecht hij grote waarde aan het inzetten van de geheime politie, voor zowel het vergaren van informatie als het intimideren van tegenstanders en afvalligen. Net als hij vindt hij dat het Westen zwak en hypocriet is, en dat het met een mengsel van dreigementen en selectieve pressie makkelijk afgebluft kan worden.’

Dat komt weer aardig in de buurt van wat we van dertig, veertig jaar geleden nog hebben onthouden als Koude-Oorlogs-taal. Op de geplastificeerde voor-én achterkant van de Nederlandse vertaling (die de ondertitel van Edward Lucas’ boek heeft

Vervolg op pagina 2

‘Het Westen onderschat de Russische gevaren’

Vervolg van pagina 1

aangedikt tot het verontrustende zinnetje ‘hoe het Kremlin Rusland en de wereld bedreigt’) staan aanbevelingen afgedrukt die de toon van vroeger helemaal hebben hervonden. ‘Moord, cyberterrorisme, nucleaire chantage, desinformatie: een nieuwe Koude Oorlog lijkt te zijn begonnen. Edward Lucas slaat alarm’, lezen we bijvoorbeeld. Of: ‘Hoe gevaarlijk dichtbij is onze nederlaag en hoe valt de strijd nog te winnen?’

Nou moet je flapteksten nooit lezen, laat staan serieus nemen, en er zeker geen auteur op aankijken – maar deze zijn natuurlijk typerend voor een algehele omslag in onze beeldvorming. Tot voor betrekkelijk kort gold Poetin als een nette man, die zich met gepaste hoffelijkheid een charmante (en Duits sprekende) gastheer had betoond van onze Beatrix, en die door Balkenende was geprezen als leider ‘van een jonge democratie’.

Edward Lucas – correspondent van The Economist met een lange staat van Oost Europese dienst - mogen we van de imago-wisseling niet meteen de schuld geven, maar zijn boek draagt er wel aardig wat toe bij. Hij is geen vriend van Poetin. ‘Toen Jeltsin hem in de zomer van 1999 tot de nieuwe premier benoemde’, schrijft hij, ‘konden weinigen bevroeden dat hij algauw Ruslands politieke vrijheden ten grave zou dragen’.

Poetin, die de ineenstorting van het Sovjetrijk ‘de grootste geopolitieke tragedie van de twintigste eeuw’ had genoemd, kreeg volgens Lucas in acht jaar tijd voor elkaar dat de veiligheidsfunctionarissen van de FSB (vroeger KGB, nóg vroeger Tsjeka) de feitelijke bestuursmacht over het land in handen kregen. ‘Er bestaat niet zoiets als een ex-tsjekist’, had de president zijn omgeving tevreden verzekerd, en met methodieken waarin hij was gepokt en gemazeld, kwam hij, zoals Lucas schrijft, ‘steeds dichter bij de strategische prijs waar hij sinds het begin van de nieuwe Koude Oorlog op uit was: verdeeldheid in het ooit zo machtige Atlantische bondgenootschap.’

Relativering staat Lucas zichzelf niet toe. Z’n boek heeft iets ijzerenheinigs. Ook als hij zich bezondigt aan niet-onderbouwde beweringen (dat de banden met China ‘enorm schadelijk en bedreigend’ zijn, dat de partijfilosofie van Vladislav Soerkov fascistische trekjes zou verraden, of dat de Russen al vóór 2003 massavernietigingswapens aan Irak zouden hebben geleverd die ze bijtijds ook weer terughaalden) duldt zijn apodictische toon geen tegenspraak.

Kenmerkend is de telkens herhaalde vrees dat het Westen de nieuwe Russische gevaren – die natuurlijk niet meer primair militair zijn van aard – blijft onderschatten. ‘De rampzaligste vergissing die sinds 1991 is gemaakt’, houdt hij staande, ‘was de veronderstelling dat Rusland nu geleidelijk aan een westers land zou gaan worden.’ Dit doet sterk denken aan wat ‘haviken’ in het Islam-debat niet moede worden ons te bezweren: straks bezorgen de moslims ons een Chamberlain-complex.

‘Het is belangrijk’, houdt Lucas het Westen voor, ‘om de miljoenen Russen die onze open samenleving bewonderen, te laten zien dat onze afkeer van het Kremlin niet ingegeven wordt door russofobie.’ Die scheiding houdt hij consequent vol. Het kwaad zit bij Poetin en zijn ‘tsjekisten’. Het Russisch volk is andermaal het slachtoffer van een achter dikke muren opererende oligarchie aan het Rode Plein.

De James-Bond-variant van het anti-Poetin-verhaal staat in De onderneming, dat in de oorspronkelijke (Engelse) editie iets bloeddorstiger The age of assassins heet. Auteur Yuri Felshtinsky schreef in 2005 samen met de later vergiftigde Litvinenko de thriller Terreur van binnenuit die de verkiezingsfraude van 2000 tot onderwerp had. Oplichting, complotterij, archiefvervalsing noch moord en doodslag ontbreken in de alternatieve geschiedschrijvingen van het postcommunistische Rusland. Je moet van het genre houden. Er kunnen kernen van waarheid in de ‘reconstructies’ schuilen, het kan ook allemaal uit de duim zijn gezogen. Elke verificatiekans ontbreekt – geheim agenten mogen hun geheimen nou eenmaal niet delen, anders zijn ze geen geheim agenten meer.

Is Rusland, wat er intussen ook omgewenteld, gemoderniseerd of radicaal veranderd zou zijn, in het oog van de buitenstaander niet toch altijd ook het 19de-eeuwse tsarenrijk gebleven – het land van Toergenjev, Gontsjarov, Dostojevski en Tolstoj, van een grote, unieke literatuur? Er is geen ander Europees land denkbaar van waaruit een begaafd chroniqueur als Jelle Brandt Corstius verhalen kan schrijven zoals gebundeld in Rusland voor gevorderden – een titel als een hommage aan Karel van het Reve. De ondertitel is op een andere manier welsprekend. Waar elders dan in het land van Poetin kunnen ‘berichten van een overlever’ worden geschreven – waar elders bestaat nog dat elementaire gebrek aan logica, regelgeving, voorspelbaarheid en comfort en kun je van Mongolië, Nagorno-Karabach en Moermansk tot in het hart van Moskou nog paf staan? Brandt Corstius beschrijft zijn journalistieke ontberingen (voor Trouw) overwegend laconiek, buitengewoon geestig, en met een aanstekelijke sympathie voor al die hartelijke Russen die letterlijk of overdrachtelijk ver af staan van Poetin. Die speelt in zijn verhalen geen enkele rol.

Poetin is volop terug bij Laura Starink die bijna twintig jaar geleden in Een land van horen zeggen (over prachtige titels gesproken) verslag deed van een land dat net bezig was zich van meer dan zeventig jaar communisme te bevrijden, en die anno 2008 in lange, zinvolle gesprekken elf zeer verschillende Russen portretteerde die in wanhoop, maar soms ook vol goede moed, ‘onder Poetin’ leven.

De Russische kater is het toonbeeld van superieure journalistiek – een boek dat zowel uitmunt in terloopse typeringen ( Gary Gasparov als ‘politieke pestkop’, om er één te noemen) als in zinnige analyses van bijvoorbeeld de ‘Poetin-doctrine’ der soevereine democratie waarin minder wordt gezegd dan verzwegen, en die haar succes en populariteit voornamelijk dankt aan de olie-en gaswelvaart. Het knappe van Starinks werkwijze zit in het evenwicht dat ze bereikt tussen feitelijke informatie, en elf persoonlijke reacties op de feiten. De waardering die bijvoorbeeld de eerder geciteerde Ljoedmila Saraskina voor de accurate Poetin kan opbrengen werkt als het ware als een ‘emotionele’ aanvulling op de koele observaties van Jegor Gaidar, Jeltsins eerste minister van Financiën, die in 1992 de planeconomie ‘ophief’, de prijzen losliet en de handel privatiseerde. Een onvoorbereid miljoenenvolk werd van de ene dag op de andere aan de markt overgeleverd – ‘maar het werkte’.

Het menselijke effect dat de interviews teweegbrengen, is verademend naast de gelijkhebberigheid waarmee Edward Lucas je op den duur zo vermoeit. Starinks profielen mogen elkaar niet alleen aanvullen, maar ook tegenspreken – en ze laten ruimte voor boeiende speculaties als over het gebrek aan een Stunde Null in de Russische ontwikkeling. De militaire uitroeiing van het nationaal-socialisme betekende een harde cesuur in de Duitse geschiedenis, maar de Russen hebben nooit echt ‘gebroken’ met het stalinisme.

Starink eindigt haar bundel niet in zekerheid. ‘Het sombere Rusland waar ik eind jaren zeventig woonde’, besluit ze, ‘bestaat niet meer. Moskou is een swingende stad geworden. Maar onder die uiterlijke welvaart zit een grimmigheid die ik niet goed kan plaatsen. Heeft Poetin stabiliteit gebracht? Of dansen de Russen op een vulkaan? Ik weet het antwoord niet’. Er zouden meer journalisten moeten zijn die eerlijk toegeven dat ze het niet weten.