Gijzelaars van de FARC leven als levende doden

De Colombiaanse rebellen-beweging FARC heeft weer vier gijzelaars vrijgelaten.

De stap is onderdeel van een politiek steekspel, maar heeft ook militaire en pr-voordelen.

Opnieuw is de Venezolaanse president Hugo Chávez er gisteren in geslaagd enkele gijzelaars los te krijgen bij de Colombiaanse rebellenbeweging FARC. Volgens de guerrillagroep is de ‘eenzijdige geste’ allereerst een steunbetuiging aan Chávez zelf.

De linkse president werd vorig jaar door zijn rechtse Colombiaanse collega Álvaro Uribe in de arm genomen om met de FARC-top te bemiddelen over vrijlating van enkele tientallen gijzelaars die de strijdgroep al jaren in de jungle vasthoudt. Maar al na enkele weken zette Uribe hem aan de kant, omdat hij vond dat Chávez een te grote rol opeiste.

„Chávez zou graag alsnog deze belangrijke politieke rol op het continent op zich nemen”, zegt Gabriel Misas, directeur van het Instituut voor Politieke Studies en Internationale Betrekkingen telefonisch vanuit de Colombiaanse hoofdstad Bogotá. Uribe ziet echter weinig in buitenlandse bemiddeling: het zou de FARC maar een groter internationaal aanzien geven. Als hij al buitenlandse hulp aanvaardt, dan haalt hij die liever uit Europa. Maar de FARC ziet alleen Chávez zitten.

Achter de vrijlating van gisteren zit echter veel meer dan dit regionale steekspel, zegt Misas.

Ten eerste was er een militaire reden. „De FARC houdt haar gijzelaars vast in gebied waar steeds meer legeroperaties zijn. Dit zorgt voor logistieke problemen. Door de groep gijzelaars uit te dunnen tot alleen de meest waardevolle, hoopt de FARC mobieler te worden.” Veruit het meest waardevol zijn de Colombiaanse ex-presidentskandidaat Ingrid Betancourt en drie Amerikaanse militaire contractanten die met hun vliegtuigje in de jungle crashten en in handen van de FARC vielen.

Ten tweede, zegt de analist, probeert de FARC met de vrijlating een slag te slaan in de strijd om de publieke opinie – die van Colombia en de rest van de wereld. De van oorsprong marxistische guerrillagroep kwam het afgelopen jaar meermalen negatief in het nieuws. Twee gijzelaars wisten begin 2006 te ontsnappen. De gruwelverhalen over hun jarenlange detentie brachten het lot van de andere gijzelaars opnieuw onder de landelijke aandacht.

In januari, in reactie op het ontslag van bemiddelaar Chávez, liet de FARC ‘unilateraal’ al twee gijzelaars vrij. En gisteren dus weer vier. Toch is het, stelt Misas, de vraag of de publieke opinie door deze gestes sterk kantelt. „Het imago van de FARC is al op een dieptepunt beland.”

Dat is grotendeels door eigen toedoen. Zo kregen de twee in januari vrijgelaten vrouwen van de achterblijvers brieven mee voor het thuisfront. Deze aangrijpende ontvoeringsberichten, waarin de gijzelaars zeiden „te leven als levende doden” vergrootten de druk op Uribe snel en serieus werk te maken van de onderhandelingen.

Keerzijde voor de FARC was dat de soms gruwelijke inhoud van de brieven haar niet veel sympathie opleverden. Misas: „Met deze laatste vrijlating kan de FARC alleen bereiken dat de mensen misschien net iets minder tegen haar zijn.”

De eerste vrijlatingsronde leidde er bovendien toe dat een stel jongeren op internet een actie begon tegen de ontvoeringspraktijken van de FARC. Hun plan om tegen ontvoeringen te demonstreren verspreidde zich razendsnel via het web. Honderdduizenden burgers namen op 4 februari deel aan de grootste massabetoging ooit in Colombia. Het protest kwam tot stand met expliciete hulp van de Colombiaanse regering.

Uit onvrede over deze rol van van de regering hebben linkse actiegroepen voor 6 maart nu een nieuwe mars aangekondigd. Ditmaal tegen het geweld van alle partijen in het conflict. Tegen deze marcha heeft de regering zich uitgesproken, omdat het een door de FARC gecoördineerde tegenactie zou betreffen.

Activist Ivan Cepeda, de hoofdorganisator van de mars op 6 maart, ontkent dit laatste stellig. Per telefoon vertelt hij het jammer te vinden dat zijn protest ook slachtoffer is geworden van de polarisatie in Colombia. „Dat is de oude politieke context, waarbinnen groepen in het gewapend conflict en politieke partijen, zoals altijd, hun eigen belangen nastreven. Deze marsen zijn daarentegen een uiting van een nieuw burgergevoel, dat voortkomt uit vermoeidheid van zes decennia geweld.”

Activist Cepeda wil volgende week daarom ook kunnen protesteren tegen het geweld van de paramilitairen en soldaten en agenten. Hij vindt dit nodig voor meer evenwicht in de beeldvorming. „Als je nu in Colombia of in Europa iemand vraagt naar een bekende gijzelaar, zal bijna iedereen Ingrid Betancourt noemen. Maar vraag naar de naam van vermoorde vakbondsleider en dan weten ze het niet.”

De marsen zullen er, hoopt hij, aan bijdragen „dat onze samenleving een betrokken midden krijgt. Een midden dat tegen alle geweld is. Dat in beide marsen meeloopt. Alleen zó kunnen we politiek draagvlak scheppen voor een politiek akkoord.”

Vooralsnog blijft het de vraag of de partijen een politieke oplossing boven een militaire prefereren. De FARC is een professionele narcobende die haar grote belangen in drugshandel niet snel zal opgeven. En hoewel volgens alle analisten de organisatie militair nooit helemaal verslagen zal kunnen worden, put de regering hoop uit het feit dat de staat de afgelopen jaren grote delen land heroverd heeft op de FARC en dat justitie enkele hoge guerrillaleiders veroordeeld heeft gekregen.

Het enige wat buitenlandse regeringen nu kunnen doen is garant staan bij de gevangenenruil of waarnemer zijn bij onderhandelingen, zegt Misas. „Geen enkel land in deze regio laat zich oplossingen door een ander land opleggen. Of het tot een akkoord komt, ligt aan de binnenlandse spelers. Uiteindelijk kan niemand deze strijd definitief winnen of verliezen. Eindeloos blijven doorvechten heeft geen zin.”

Meer over de demonstratie van 4 februari op de website van de organisatoren (Spaans):colombiasoyyo.org; meer over de betoging op 6 maart vind je op: movimientodevictimas.org