En dit zijn de nieuwe boeken

Bracht Poetin stabiliteit, of is hij een despoot en een bedreiging voor het Westen?

Correspondenten maken de balans op, vlak voor de ‘democratische’ verkiezingen.

Poetin op de cover van Time magazine, december 2007. Reuters The latest issue of Time magazine featuring Russia's President Vladimir Putin is seen in this undated handout photo. Time magazine named Putin its "Person of the Year" for 2007 on December 19, 2007, saying he had returned his country from chaos to "the table of world power" though at a cost to democratic principles. Putin, a former KGB official picked from obscurity in 1999 by then-president Boris Yeltsin, will appear on the cover of a special issue of Time as the person the editors believe had the greatest impact on events, for better or worse. REUTERS/Handout (UNITED STATES). EDITORIAL USE ONLY. NOT FOR SALE FOR MARKETING OR ADVERTISING CAMPAIGNS. NO ARCHIVES. NO SALES. REUTERS

In 1988 heette de staat nog de Sovjet Unie, waar het reëel bestaande socialisme was gevestigd. Een paar jaar later kon er geen ideologische veer meer van geplukt worden, was een kansloze communistische tegencoup onschadelijk gemaakt door eigenlijk maar één man die op een tank klom, werd niet alleen de democratie, maar vooral ook het kapitalisme omhelsd en had het land behalve de orthodoxe kerk ook de beenderresten van de laatste tsarenfamilie in ere hersteld. Het was z’n status als supermogendheid kwijt, en beleefde politieke na financiële crisis onder leiding van een enigszins drankzuchtige president die zichzelf van hartinfarct naar nipte verkiezingsoverwinning overeind hield. Voor de opvolger die hij in het jaar 2000 aanwees (en die slechts nog democratisch gekozen hoefde te worden) leek het onbegonnen werk om nog iets te maken van een land dat in al z’n voegen kraakte. Of niet?

Acht jaar later komt, kort voor nieuwe verkiezingen (wederom heeft de zittende president een opvolger aangewezen voor wie het electoraat alleen nog maar democratisch naar de stembus hoeft), een Nederlandse kamerdelegatie bekommerd terug uit Moskou waar ze grote macht in het Kremlin heeft vastgesteld zonder een spoor van controle; verschijnt in Engeland een boek onder de alarmerende titel The new cold War, een oorlog die volgens de auteur al volop aan de gang is; neemt de NAVO met zorg kennis van Russische dreigementen tegen Tsjechië, Polen en Oekraïne, alsmede alle westerse landen die recentelijk Kosovo hebben erkend en is de rest van de wereld wantrouwiger dan ooit geworden over de onopgeloste moord op journaliste Anna Politkovskaja en de vergiftiging van ex-KGB-kolonel Aleksandr Litvinenko.

Er zijn weinig landen ter wereld waar in de afgelopen twintig jaar veranderingen zo drastisch hebben huisgehouden als in Rusland – en je mag het een godswonder noemen dat al die grote en kleinere aardverschuivingen, crisissen en vormen van politieke onvrede en revanchegevoelens, nauwelijks bloed hebben gekost.

Maar wat hebben de spectaculaire koerswijzigingen in twintig opwindende jaren vooralsnog méér opgeleverd dan de alleenheerschappij van een pragmatische, koele, accurate en on-Russische man die z’n eigen opvolger coöpteert en voor de zekerheid diens premier wil blijven om z’n greep op het zelf gecreëerde regime niet te verliezen? Een man die sinds z’n uitverkiezing de ruimte heeft ingeperkt van journalisten, schrijvers, onafhankelijke politici en privé-ondernemers, die de schijn van democratie ophoudt, maar in feite het (niet-communistische) evenbeeld is van de voorganger in het Kremlin die hij bewondert: Joeri Andropov?

‘Poetin’, schrijft Edward Lucas in De nieuwe koude oorlog, ‘is de erfgenaam van een angstaanjagende, maar nauwelijks herinnerde figuur uit het Sovjetverleden: Joeri Andropov, voormalig hoofd van de KGB, die korte tijd aan de macht was na het overlijden van Leonid Brezjnev in 1982. Net als Andropov gelooft Poetin dat straffe discipline de sleutel is tot economisch herstel. Net als hij hecht hij grote waarde aan het inzetten van de geheime politie, voor zowel het vergaren van informatie als het intimideren van tegenstanders en afvalligen. Net als hij vindt hij dat het Westen zwak en hypocriet is, en dat het met een mengsel van dreigementen en selectieve pressie makkelijk afgebluft kan worden.’

Dat komt weer aardig in de buurt van wat we van dertig, veertig jaar geleden nog hebben onthouden als Koude-Oorlogstaal. Op de geplastificeerde voor-én achterkant van de Nederlandse vertaling staan aanbevelingen afgedrukt die de toon van vroeger helemaal hebben hervonden. ‘Moord, cyberterrorisme, nucleaire chantage, desinformatie: een nieuwe Koude Oorlog lijkt te zijn begonnen. Edward Lucas slaat alarm’, lezen we.

Nou moet je flapteksten nooit lezen, en er zeker geen auteur op aankijken – maar deze is typerend voor een algehele omslag in onze beeldvorming. Tot voor kort gold Poetin als een nette man, die zich met gepaste hoffelijkheid een charmante gastheer had betoond van onze Beatrix, en die door Balkenende was geprezen als leider ‘van een jonge democratie’.

Edward Lucas – correspondent van The Economist – mogen we van de imagowisseling niet de schuld geven, maar zijn boek draagt er wel toe bij. Hij is geen vriend van Poetin. ‘Toen Jeltsin hem in de zomer van 1999 tot de nieuwe premier benoemde’, schrijft hij, ‘konden weinigen bevroeden dat hij algauw Ruslands politieke vrijheden ten grave zou dragen’.

Poetin, die de ineenstorting van het Sovjetrijk ‘de grootste geopolitieke tragedie van de twintigste eeuw’ had genoemd, kreeg volgens Lucas in acht jaar tijd voor elkaar dat de veiligheidsfunctionarissen van de FSB (vroeger KGB, nóg vroeger Tsjeka) de feitelijke bestuursmacht over het land in handen kregen. ‘Er bestaat niet zoiets als een ex-tsjekist’, had de president zijn omgeving tevreden verzekerd, en met methodieken waarin hij was gepokt en gemazeld, kwam hij ‘steeds dichter bij de strategische prijs waar hij sinds het begin van de nieuwe Koude Oorlog op uit was: verdeeldheid in het ooit zo machtige Atlantische bondgenootschap.’

Relativering staat Lucas zichzelf niet toe. Z’n boek heeft iets ijzerenheinigs. Ook als hij zich bezondigt aan niet-onderbouwde beweringen (dat de banden met China ‘enorm schadelijk en bedreigend’ zijn, dat de partijfilosofie van Vladislav Soerkov fascistische trekjes zou verraden, of dat de Russen al vóór 2003 massavernietigingswapens aan Irak zouden hebben geleverd die ze bijtijds ook weer terughaalden) duldt zijn apodictische toon geen tegenspraak.

Kenmerkend is de telkens herhaalde vrees dat het Westen de nieuwe Russische gevaren – die natuurlijk niet meer primair militair zijn van aard – blijft onderschatten. ‘De rampzaligste vergissing die sinds 1991 is gemaakt’, houdt hij staande, ‘was de veronderstelling dat Rusland nu geleidelijk aan een westers land zou gaan worden.’ Dit doet sterk denken aan wat ‘haviken’ in het islamdebat niet moede worden ons te bezweren: straks bezorgen de moslims ons een Chamberlain-complex.

‘Het is belangrijk’, houdt Lucas het Westen voor, ‘om de miljoenen Russen die onze open samenleving bewonderen, te laten zien dat onze afkeer van het Kremlin niet ingegeven wordt door russofobie.’ Die scheiding houdt hij consequent vol. Het kwaad zit bij Poetin en zijn ‘tsjekisten’. Het Russisch volk is andermaal slachtoffer van een achter dikke muren opererende oligarchie aan het Rode Plein.

De James-Bondvariant van het anti-Poetinverhaal staat in De onderneming. Yuri Felshtinsky schreef in 2005 samen met de later vergiftigde Litvinenko de thriller Terreur van binnenuit die de verkiezingsfraude van 2000 tot onderwerp had. Oplichting, complotterij, archiefvervalsing noch moord en doodslag ontbreken in de alternatieve geschiedschrijvingen van het postcommunistische Rusland. Je moet van het genre houden. Er kunnen kernen van waarheid in de ‘reconstructies’ schuilen, het kan ook allemaal uit de duim zijn gezogen. Elke verificatiekans ontbreekt – geheim agenten mogen hun geheimen nou eenmaal niet delen.

Is Rusland, wat er intussen ook omgewenteld, gemoderniseerd of radicaal veranderd zou zijn, in het oog van de buitenstaander niet toch altijd ook het 19de-eeuwse tsarenrijk gebleven – het land van grote, unieke literatuur? Er is geen ander Europees land denkbaar van waaruit een begaafd chroniqueur als Jelle Brandt Corstius verhalen kan schrijven zoals gebundeld in Rusland voor gevorderden. De ondertitel is op een andere manier welsprekend. Waar elders dan in het land van Poetin kunnen ‘berichten van een overlever’ worden geschreven – waar elders bestaat nog dat elementaire gebrek aan logica, regelgeving, voorspelbaarheid en comfort en kun je van Mongolië, Nagorno-Karabach en Moermansk tot in het hart van Moskou nog paf staan? Brandt Corstius beschrijft zijn journalistieke ontberingen (voor Trouw) laconiek, geestig, en met een aanstekelijke sympathie voor al die hartelijke Russen die ver af staan van Poetin. Die speelt in zijn verhalen geen enkele rol.

Poetin is volop terug bij Laura Starink die bijna twintig jaar geleden in Een land van horen zeggen verslag deed van een land dat net bezig was zich van meer dan zeventig jaar communisme te bevrijden, en die anno 2008 in lange, zinvolle gesprekken elf zeer verschillende Russen portretteerde die in wanhoop, maar soms ook vol goede moed, ‘onder Poetin’ leven.

De Russische kater is het toonbeeld van superieure journalistiek – een boek dat zowel uitmunt in terloopse typeringen (Gary Gasparov als ‘politieke pestkop’) als in zinnige analyses van bijvoorbeeld de ‘Poetin-doctrine’ der soevereine democratie waarin minder wordt gezegd dan verzwegen, en die haar succes en populariteit voornamelijk dankt aan de olie-en gaswelvaart. Het knappe van Starinks werkwijze zit in het evenwicht dat ze bereikt tussen feitelijke informatie, en elf persoonlijke reacties op de feiten. Naast waardering van sommigen voor de accurate Poetin plaatst ze koele observaties van Jegor Gaidar, Jeltsins eerste minister van Financiën, die in 1992 de planeconomie ‘ophief’, de prijzen losliet en de handel privatiseerde. Een onvoorbereid miljoenenvolk werd van de ene dag op de andere aan de markt overgeleverd – ‘maar het werkte’.

Het menselijke effect dat de interviews teweegbrengen, is verademend naast de gelijkhebberigheid waarmee Edward Lucas je zo vermoeit. Starinks profielen mogen elkaar niet alleen aanvullen, maar ook tegenspreken – en ze laten ruimte voor speculaties als over het gebrek aan een Stunde Null in de Russische ontwikkeling. De militaire uitroeiing van het nationaal-socialisme betekende een harde cesuur in de Duitse geschiedenis, maar de Russen hebben nooit ‘gebroken’ met het stalinisme. Starink eindigt haar bundel niet in zekerheid. ‘Het sombere Rusland waar ik eind jaren zeventig woonde’, besluit ze, ‘bestaat niet meer. Moskou is een swingende stad geworden. Maar onder die uiterlijke welvaart zit een grimmigheid die ik niet goed kan plaatsen. Heeft Poetin stabiliteit gebracht? Of dansen de Russen op een vulkaan? Ik weet het antwoord niet’. Er zouden meer journalisten moeten zijn die toegeven dat ze het niet weten.

Hoe kijken ze er in China tegenaan: www.bjreview.com.cn

Jelle Brandt Corstius: Rusland voor gevorderden. Berichten van een overlever. Prometheus, 187 blz. € 14,95

Yuri Felshtinsky en Vladimir Pribylovsky: De onderneming. Rusland onder Poetin. Forum, 384 blz. € 18.95

Edward Lucas: De nieuwe koude oorlog. Nieuw Amsterdam, 320 blz. €18,95

Laura Starink: De Russische kater. Prometheus, 272 blz.€17,95