En de winnaar is...

Over de effecten van een veranderend klimaat. Deel in een serie over bekende en onbekende bomen.

Het gaat vaker en harder stormen en vooral groenblijvende naaldbomen en beuken zullen daarvan te lijden hebben – naaldbomen doordat ze ’s winters hun volle kroon behouden, beuken doordat ze zo oppervlakkig wortelen. Pionierssoorten als berk en lijsterbes zullen de opengevallen plaatsen innemen.

Deze en ander voorspellingen stonden in het Vakblad Natuur Bos en Landschap van oktober 2007, met name in een artikel van Gert-Jan Nabuurs en Patrick Hommel, bosecologen te Wageningen.

De grootste effecten van een veranderend klimaat zijn, voor zover het onze bossen aangaat, te verwachten van nieuwe neerslagpatronen. Nattere winters worden afgewisseld door drogere zomers, of in ieder geval perioden van extreme droogte. Afhankelijk van zijn doorlaatbaarheid is de bodem in het ene geval natter dan normaal, in het andere natuurlijk droger. De beuk heeft aan beide situaties een hekel.

Het ziet er dan ook naar uit dat de klimaatverandering een halt zal toeroepen aan een verdere verbeuking van de bossen op onze zandgronden. Overigens wordt de beuk mans genoeg geacht om zich te handhaven. Maar met zijn dominantie zou het toch wel gedaan zijn.

En wie worden de winnaars?

Haagbeuk, zeggen Nabuurs en Hommel, „een soort die zeer goed bestand is tegen grote verschillen in vochthuishouding tussen zomer en winter.”

En winterlinde. Maar die moet dan een handje geholpen worden door beheersmaatregelen, want hij komt in het wild nauwelijks meer voor en is in zijn jonge jaren erg gevoelig voor begrazing (heerlijk lindeloof!).

En esdoorn, vooral esdoorn, zij het dat esdoorn ook minder zal gedijen waar nattere winters tot een structureel hoge grondwaterstand leiden.

Dat wat betreft de inheemse soorten. Tot de kansrijke exoten worden gewone walnoot, tamme kastanje, paardekastanje, robinia, plataan, moseik, Hongaarse eik, zachte eik en zilverlinde gerekend. Na afweging van allerlei factoren zetten Nabuurs en Hommel hun papieren op de robinia (valse acacia).

Het voordeel van zowel haagbeuk als winterlinde, esdoorn en robinia is dat hun strooisel makkelijker verteert dan dat van beuk, wat op den duur tot een rijkere bodem, dus rijkere bossen, zal leiden.

Op leemgronden zullen naar verwachting es en esdoorn gaan domineren in plaats van eik, beuk en haagbeuk.

In bossen op kleigronden zal de klimaatverandering geen grote gevolgen hebben. De verschuiving naar es en esdoorn, die daar al bezig is, zet door en aan de natte kant is wat meer els te verwachten.

Bij dit alles moet je bedenken dat bomen zich op zichzelf betrekkelijk snel aan nieuwe omstandigheden kunnen aanpassen. Bossen produceren jaarlijks een nieuwe generatie zaailingen, die door de natuur op hun capaciteiten worden getest. Maar opgroeien kunnen ze alleen daar waar de oudere generaties wegvallen. Als het aan de natuur wordt overgelaten, zal dit proces schoksgewijs verlopen.

Er zijn nu deskundigen die ervoor pleiten om maar eens wat bomen op de trein te zetten, dat wil zeggen: op te halen in het zuiden of oosten, die gebieden van Europa waar ons nieuwe klimaat zo’n beetje vandaan komt. Om deze bomen vervolgens onder gecontroleerde situaties, hier en daar wat kappen, hier en daar wat planten, in onze bossen een kans te geven.

Intussen stijgen de gemiddelde temperaturen. Bomen zullen hierdoor zeker te maken krijgen met meer en anderen insecten en ziektekiemen; de gevolgen daarvan zijn niet te voorspellen. Maar tegelijkertijd wordt hun groeiseizoen langer en langer; ze komen vroeger in het blad en verliezen hun blad later. Het toegenomen CO2-gehalte in de lucht voorziet hen bovendien van meer bouwstoffen. De bosgroei, melden Nabuurs en Hommel, is sinds de jaren ’60 met 30 procent toegenomen.

Duidelijk: dit is niet iets van morgen. Het is allemaal volop gaande. Het nieuwe klimaat, we zitten er middenin.

Koos van Zomeren