Een pinguïn onder de jas verstopt

K. Michel: In een handpalm. Augustus. 160 blz. € 19,90

Het meest raadselachtige aan de nieuwe bundel met verhalen, gedichten en beschouwingen van K. Michel is wel het omslag. We zien twee handen die de steel van een pan vasthouden. Daarboven ergens zweeft een pannenkoek, op zijn kant. Als een soort zon. Precair evenwicht. De vraag is of natuurlijk of de koek, op de juiste wijze gekeerd, terug zal vallen in de pan. We zullen het nooit weten. Wat zien we hier? Huiselijk tafereel, vervreemd afgebeeld. Van vuur ergens onder die pan en van een ordentelijk fornuis is niets te zien. De foto is van Marijke van Warmerdam. Zij maakte ook het filmpje van een douchende man dat al jaren op Schiphol is te zien. K. Michel wijdde er een bewonderende beschouwing aan.

Enigszins raadselachtig is ook de titel van de bundel: In een handpalm. Ik weet nog niet wat ermee bedoeld is. Dat het lot van de mensen en de wereld in een handpalm besloten ligt? Dat het leven zich hier in een handpalm, in een notendop afspeelt?

Duidelijk is wel dat in de 46 korte verhalen, beschouwingen en (deels vertaalde) gedichten geen wereldschokkende feiten, grote emoties of verbluffende inzichten worden gepresenteerd. Steeds gaat het om min of meer gewone zaken die even uit hun context worden gelicht: over het dropwater dat hij als kind brouwde, over de verwarrende vormen waarin kattenvoer wordt gegoten, over de oerossen die Nederland een natuurlijk aanzien moeten geven, over een oude tuin die pas tot leven komt als de planten en bomen worden benoemd.

Het is een lichte, ook licht onthechte toets waar Michel om bekend staat, na vier dichtbundels en een bundel verhalen (over meneer Tingeling). Hij zweeft als het ware over de onderwerpen heen. Hij stipt hier en daar wat aan – de commercie, internationale troebelen, een openbare executie, militair vertoon – en gaat dan weer over tot de orde van de dag. Het liefst richt hij zich daarbij tot geestverwanten, tot dichters en denkers als Zbigniew Herbert, Derek Walcott, Walter Benjamin en Julio Cortázar. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Michel zich soms verschuilt achter deze grote namen om zelf maar geen harde of krachtige uitspraken over iets te hoeven doen.

Het proza van Michel is degelijk en weloverwogen, maar vaak ook nogal saai en kleurloos. Inhoudelijk stijgt het zelden uit boven een soort gulden middenweg. Humor en geestdrift zijn hier dun gezaaid. Een uitzondering vormt een aardig satirisch gedicht over Balkenende en diens neiging lettergrepen in te slikken. Slotregel: ‘Het gaat om de koogin en het koolijk huis’. Over de beschouwingen van Dubravka Ugrešic schrijft hij dat ze ‘aangrijpend’ zijn, ‘iets wat zeldzaam is voor essays.’ Zijn eigen essays zouden ook wel wat aangrijpender mogen zijn.

Wat zal mij van In een handpalm bij blijven? Ik zal mij over pakweg een half jaar zeker niet de volstrekt oninteressante busreis herinneren die Michel maakte met een vriend om iets te weten te komen over buitenaardse wezens. En ook niet de langdradige verhandeling over de banaan, waarvan Eva en Adam in het paradijs zouden hebben gegeten. Misschien sla ik het sympathieke stuk over de dwarse boerenpoëzie van H.H. ter Balkt nog eens na. Maar waar ik nog vaak aan zal denken, dat is de leenanekdote, afkomstig uit de biografie van Henri Michaux, over het jongetje met Down-syndroom, dat uit de dierentuin in Parijs een jonge pinguïn meenam en onder zijn jasje verstopte. Michaux schreef een ontroerend gedicht, door Michel vertaald, over de woede en het verdriet van het jongetje toen de pinguïn werd ontdekt.

Zulke aandoenlijke, aardse verhaalelementen hadden er wel meer mogen zijn. Er blijven hier net iets te veel pannenkoeken in de lucht hangen.