Dominee, mijn vrouw mag niet meer ijshockeyen

Jáchym Topol: Het gouden hoofd. Vertaald door Edgar de Bruin. Voetnoot, 80 blz. € 9,–Bohumil Hrabal: Drie rabiate legendes. Vertaald door Kees Mercks. Voetnoot, 80 blz. € 8,–Magdaléna Platzová: Alle beschavingen hebben hun hoogtepunt. Vertaald door Hank Geerts. Voetnoot, 44 blz. € 7,–

Stukjes over Bohumil Hrabal (1914-1997) beginnen altijd met zijn noodlottige duikeling van de vijfde verdieping van een Praags ziekenhuis, alsof dat het meest vermeldenswaard is omtrent een schrijver die een verzameld werk van negentien delen achterliet. Maar de dubbelzinnigheid van zijn dood (gevallen toen hij de duiven voerde, of toch gesprongen?) is dan ook karakteristiek voor deze grote Tsjechische schrijver, die een raadselachtige figuur blijft, ondanks die negentien delen: een intellectueel die als arbeider in een staalfabriek ging werken, iemand die tegen het communistische regime was maar wél een loyaliteitsverklaring uitsprak, en een tweeslachtig schrijver die spreektaal tot kunsttaal verhief en een wereld schiep die tegelijk rauw realistisch en surrealistisch is. Vertaler Kees Mercks, die Hrabals universum voor de Nederlandse lezer heeft ontsloten, presenteert nu drie korte teksten onder de titel Drie rabiate legendes, uitgebracht in Moldaviet, een nieuwe reeks zakboekjes van Uitgeverij Voetnoot. In het verhaal ‘Het doopfeest’ ziet een op jagen verzotte dominee, op weg naar een doopfeest, een ree in het licht van zijn koplampen verschijnen. Hij schat ‘hoeveel hem het uitdeuken van een spatbord, misschien ook een kapotte koplamp zou kosten’ en rijdt het dier doelbewust aan. De ree is echter nog niet dood, de dominee worstelt met zijn slachtoffer (‘met beide benen omklemde hij het schokkende vlees alsof hij een fantastische, levende cello bespeelde’) en slaat het met een autozwengel de kop in, als gevolg waarvan hij onder het bloed op het doopfeest arriveert... waar de vader van de dopeling tegen hem klaagt dat hij van zijn vrouw geen ijshockey meer mag spelen. De gebeurtenissen in dit meesterlijke verhaal volgen elkaar even vanzelfsprekend op als in een droom.

In dezelfde reeks verschenen Alle beschavingen hebben hun hoogtepunt van Magdaléna Platzová, en Het gouden hoofd van Jáchym Topol. Platzová’s verhaal over het postcommunistische Praag is vaardig geschreven, maar weinig opzienbarend. Topol (1962) is van een ander kaliber. De novelle Het gouden hoofd gaat over een jongeman die Mongolië verlaat om te studeren in Rusland. Hij krijgt zelfs een handdruk van Stalin. Maar als hij ziet hoe de communistische heilsleer de mythische tradities van zijn volk vertrapt, kan hij niet langer werkeloos toezien. Topol is een eigenzinnig auteur, die elegante zinsbouw met wellust opoffert aan de vliegende vaart van zijn verhaal – ‘en toen... en... en...’ Voor de duur van een novelle werkt het fantastisch.