De krant kunnen lezen in Noors, Spaans of Fries

Europa heeft een enorme talenrijkdom die we moeten beschermen.

Met enige passieve kennis kunnen Europeanen met elkaar spreken in eigen taal.

Illustratie Leonie Bos Bos, Leonie

Sinds de recentste uitbreiding kent de Europese Unie 23 officiële talen. Minderheidstalen als het Fries, het Baskisch, het Arabisch of het Swahili zijn dan nog niet meegeteld. Dat is een rijkdom die volgens veel Europeanen bescherming verdient.

Dat is ook de strekking van het deze maand verschenen rapport Een heilzame uitdaging, dat is opgesteld door een door de Europese Commissie ingestelde ‘Groep van intellectuelen voor de interculturele dialoog’.

Deze groep, onder voorzitterschap van de Libanees-Franse schrijver Amin Malouf, wil dat alle Europeanen een taal ‘adopteren’. Dit bevordert de eenheid binnen Europa. De adoptietaal moet dan niet de moedertaal zijn, en ook niet de ‘taal voor internationaal gebruik’ (het Engels), maar verder kan het iedere mogelijke taal zijn – Duits, Tsjechisch, Baskisch, Jiddisch, en zelfs Japans.

De adoptietaal moet ‘intensief geleerd en vloeiend gesproken’ worden, en degene die de taal geadopteerd heeft, verplicht zich ook om de cultuur en geschiedenis te leren van de gemeenschap die de taal gebruikt.

Daar zitten allerlei voordelen aan. Zo kunnen bilaterale contacten tussen twee Europese landen altijd in een van de twee talen van die landen plaatsvinden, zonder dat men hoeft uit te wijken naar het Engels. Er zijn immers in ieder land wel wat mensen voorhanden die de taal van het andere land geadopteerd hebben.

Bovendien biedt de adoptie van een taal aan burgers de mogelijkheid om zich te ontplooien: het leren kennen van een andere taal en cultuur verruimt je blik.

Het is een poëtische gedachte: iedere Europese burger verdiept zich ineen andere taal en een andere cultuur. In iedere cultuur zijn er voldoende mensen die een ander kunnen verstaan, en daarmee is het gevaar bezworen dat het Engels gaandeweg alle andere talen verdrukt.

Het voorstel is echter gebaseerd op een bijna karikaturaal onwerkbaar idee, dat alleen al door zijn onuitvoerbaarheid een reëel Europees talenbeleid blokkeert. Niet elke burger heeft immers de tijd, het talent of de motivatie om tot in de finesses een andere taal te leren en zich in de bijbehorende cultuur te verdiepen. Dit vraagt een veel te grote en totaal niet realistische inspanning.

Een ander bezwaar is de stelling dat het niet de moeite is om een taal te leren als je niet naar de perfectie streeft van de moedertaalspreker. Waarom? Een dergelijk ‘ideaal’ kan potentiële taalleerders alleen maar ontmoedigen. Hij is te zenuwachtig of hij alles wel goed doet, en degene die het ‘beter weet’ verspilt energie aan ergernissen over zijn gesprekspartner. Is een beetje kennis van een andere taal dan helemaal niets waard?

Bovendien is het in de praktijk niet duidelijk hoe de adviseurs zich hun idee in de praktijk voorstellen. Stel dat een Nederlandse gemeenteraad of volleybalvereniging zijn Tsjechische evenknie ontmoet, zullen er dan genoeg Nederlandse leden zijn die Tsjechisch hebben geadopteerd of Tsjechen die dat met het Nederlands hebben gedaan? Of zal men meestal toch zijn toevlucht nemen tot het Engels? Tegelijkertijd zijn er zoveel eenvoudiger en werkbaarder alternatieven voorhanden.

Een model dat in dit soort discussies tot onze verbazing vrijwel nooit wordt genoemd, ook niet door de groep van Malouf, is het Scandinavische. Waar Zweden, Denen en Noren bij elkaar komen, spreekt ieder vaak zijn eigen taal. Dat model is gebaseerd op de veronderstelling dat mensen een ‘passieve’ kennis hebben van de taal van de ander – ze kunnen de andere taal wel verstaan, maar niet spreken. In plaats van een hooggespannen ideaal na te streven volgens welke je adoptietalen in de kleinste nuances moet beheersen, zouden we kunnen toewerken naar een bredere, passieve kennis van enkele talen door zoveel mogelijk Europese burgers. Mensen kunnen dan hun eigen taal spreken, ook als de ander niet in dezelfde taal antwoordt.

Die Scandivisering van onze taalcultuur zal wat aanpassingen vereisen, want we zijn eraan gewend dat een gesprek in één taal verloopt. Aan de andere kant heeft de ontwikkeling van passieve talenkennis in sommige opzichten juist diepe wortels in de Europese cultuur. Ook in het Nederlandse onderwijs werd in vroeger tijd de nadruk bij het talenonderwijs vooral gelegd op de mogelijkheid om Frans, Duits, en Engels in ieder geval te kunnen lezen.

In de moderne tijd zou men daar ook andere in Europa gesproken talen voor kunnen kiezen. Als zoveel mogelijk burgers websites en kranten kunnen lezen of naar radio-uitzendingen of podcasts kunnen luisteren in het Noors, het Spaans of het Fries, wordt daarmee de veeltaligheid van Europa voldoende gegarandeerd.

Dit is een model dat zijn uitvoerbaarheid heeft bewezen. Het wordt zoals gezegd op brede schaal in Scandinavië, en dat ook op kleinere schaal in het dagelijks verkeer tussen Europese burgers met allerlei taalachtergronden iedere dag gebruikt.

Er zal moeten worden onderzocht op welke manier dit proces verloopt, en in hoeverre het model ook zonder al te veel problemen kan worden toegepast bij talen die minder op elkaar lijken dan de Scandinavische. In ieder geval biedt het Scandinavische model meer kans op een reële oplossing om alle Europese burgers te betrekken bij het behoud van de talenrijkdom van ons continent.

De auteurs zijn taalkundig onderzoekers aan het Meertens Instituut te Amsterdam.

Discussieer mee over dit onderwerp op: nrcnext.nl/opinie